ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0668

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AR 768/09-H-248/10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over betaling voorschot uit optie-overeenkomst en proceskostencompensatie

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het voorschot van NAF. 10.000,-, zoals overeengekomen in een optie-overeenkomst, terecht door geïntimeerde aan de makelaar mocht worden gevorderd. Appellante had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarin onder meer de betaling van het voorschot was toegewezen.

Het Hof bevestigde de feiten vastgesteld door de rechtbank en oordeelde dat geïntimeerde door medeondertekening partij was geworden bij de optie-overeenkomst, dan wel dat er een derdenbeding ten zijn behoeve bestond. De grieven van appellante tegen de toewijzing van het voorschot faalden dan ook. Daarnaast werd vastgesteld dat de stelling van appellante omtrent buitengerechtelijke kosten onvoldoende feitelijk was onderbouwd, zodat deze vordering werd afgewezen, met uitzondering van de kosten van betekening van een aanmaning op 21 december 2007, die wel voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Het Hof veroordeelde geïntimeerde tot betaling van NAF. 212,50 aan appellante en tot vergoeding van proceskosten uit eerste aanleg, terwijl de kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd. Appellante was niet verschenen op de pleitdatum, en geïntimeerde had afgezien van pleidooi en vonnis gevraagd.

De uitspraak bevestigt het eerdere vonnis, behoudens de proceskostencompensatie en de vergoeding van de aanmaningskosten, waarmee het Hof recht deed aan de belangen van beide partijen binnen het kader van de optie-overeenkomst en de gemaakte kosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis dat het voorschot betaald moet worden en veroordeelt geïntimeerde tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

UITSPRAAK: 22 maart 2011
ZAAKNR.: AR 768/09-H-248/10
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
[appellante], gehuwd geweest met [xxx],
wonend in Curaçao,
voorheen eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. R.A. Diaz,
tegen
[geïntimeerde], h.o.d.n. Curaçao Realty,
wonend in Curaçao,
voorheen gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P. Dingemanse.
1. Verloop van de procedure
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (verder: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 29 maart 2010. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis door indiening op 4 mei 2010 van een akte van appel ter griffie van GEA. Bij op 15 juni 2010 ter griffie van GEA ingekomen memorie van grieven heeft zij drie grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot gehele toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van eerste aanleg en van dit beroep.
[geïntimeerde] heeft op 31 augustus 2010 ter griffie van GEA een memorie van antwoord ingediend, waarin hij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in dit hoger beroep.
Op de nader voor pleidooi bepaalde dag is [appellante] niet verschenen, heeft [geïntimeerde] afgezien van pleidooi en akte van niet dienen en vonnis gevraagd. De akte van niet dienen is hem verleend en er is bepaald dat vonnis zal worden gewezen, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
2. Ontvankelijkheid
Het door [appellante] ingestelde appel is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat zij daarin kan worden ontvangen.
3. Grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het Hof naar de ingediende memorie van grieven.
4. Beoordeling
4.1 Er zijn geen grieven gericht tegen hetgeen GEA onder 2. De feiten, heeft vastgesteld zodat het Hof, dat ambtshalve evenmin bezwaar heeft tegen die vaststelling, van die feiten zal uitgaan.
4.2 [appellante] heeft bij haar inleidend verzoekschrift een optie-overeenkomst overgelegd die is getekend door, kennelijk, [geïntimeerde] en door de optieneemster [M] en door [appellante] als Mw. [xxx]. In die overeenkomst is vermeld, kort gezegd, dat de optienemer een voorschot van NAF. 10.000,- zal betalen aan de makelaar als voorschot op zijn kosten. [appellante] heeft niet ontkend deze overeenkomst te hebben getekend. Blijkens de (mede)ondertekening door [geïntimeerde] is [geïntimeerde] ook partij geworden bij deze optie-overeenkomst dan wel behelst deze bepaling een derdenbeding ten behoeve van [geïntimeerde]. De eerste en tweede grief voor zover deze zich niet uitstrekt over de proceskosten, waarin wordt geklaagd dat GEA ten onrechte heeft beslist dat de betaling van NAF. 10.000,- aan [geïntimeerde] terecht is, falen dan ook.
4.3.1 In het tweede deel van de tweede grief en met de derde grief klaagt [appellante] over het feit dat GEA de proceskosten heeft gecompenseerd en, blijkens de toelichting op deze grieven, de buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen. Waar uit niets blijkt dat [geïntimeerde] enig deel van het gevorderde bedrag vrijwillig aan [appellante] heeft willen betalen, restte [appellante] niets anders dan [geïntimeerde] in rechte te betrekken. Waar verder van een vordering van in totaal NAF. 32.562,50 door GEA NAF. 21.600,- is toegewezen, heeft [geïntimeerde] als overwegend in het ongelijk gesteld te gelden, zodat hij de proceskosten in eerste aanleg moet dragen, waarbij het gemachtigdensalaris zal worden begroot aan de hand van de hoogte van de hoofdsom voor zover toegewezen. In eerste aanleg en in dit hoger beroep is de stelling dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt (behoudens de kosten voor betekening van een aanmaningsbrief, zie daarvoor hierna 4.3.2) onvoldoende feitelijk onderbouwd. De vordering tot betaling van die kosten is door GEA terecht afgewezen en wordt ook door het Hof afgewezen. Het Hof overweegt hierbij nog dat uit de toelichting op deze twee grieven moet worden afgeleid dat [appellante] geen vergoeding van incassokosten vordert.
4.3.2 De beslissing van [appellante] om haar aanmaning van 21 december 2007 aan [geïntimeerde] te betekenen, doorstaat de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
4.4 Gelet op bovenstaande wordt het door [appellante] gedane bewijsaanbod gepasseerd als niet ter zake doende.
4.5 Een en ander brengt met zich dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd behoudens voor zover het betreft de proceskostencompensatie en de afwijzing van de kosten voor betekening van de aanmaning van 21 december 2007. In dit hoger beroep hebben partijen als over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld te gelden, zodat het Hof de kosten van dit appel zal compenseren.
BESLISSING:
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep behoudens voor zover hierbij de proceskosten zijn gecompenseerd en de kosten ter zake de betekening van de aanmaning zijn afgewezen en doet wat dat betreft opnieuw recht als volgt:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen NAF. 212,50;
veroordeelt [geïntimeerde] in de aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg gerezen proceskosten, tot op heden begroot op NAF. 750,- aan griffierecht, NAF. 248,68 kosten betekening inleidend verzoekschrift en NAF. 750,- aan gemachtigdensalaris;
compenseert de kosten van dit hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, F.J.P. Lock en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 22 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.