ECLI:NL:OGEANA:2010:BL7601

Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen

Datum uitspraak
24 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AR44/2009
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.J.P. Veenhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 6 RvArt. 92 RvArt. 93 RvArt. 214 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nietigheid oproeping en gelijktijdige behandeling nalatenschapszaken

Deze zaak betreft de afwikkeling van een nalatenschap waarbij zes erfgenamen betrokken zijn, verdeeld over twee procedures (AR44/2009 en AR82/2009). In incident I verzochten de erfgenamen de nietigheid van het exploot van oproeping op grond van artikel 93 Rv Pro, hetgeen door het gerecht werd afgewezen. Het gerecht oordeelde dat de namen en woonplaatsen van de erfgenamen correct in het verzoekschrift waren vermeld, waardoor geen sprake was van nietigheid.

In incident II werd verzocht om voeging van de twee procedures. Het gerecht stelde vast dat het verzoek niet zag op voeging in de zin van artikel 214 Rv Pro, maar op gezamenlijke behandeling. Omdat de erfgenamen geen bezwaar maakten, werd de gezamenlijke behandeling bevolen. De kosten van de incidenten werden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke betrekkingen.

De hoofdzaak werd verwezen naar de rolzitting voor conclusie van repliek op 24 maart 2010, waarbij verdere beslissingen werden aangehouden. De procedure betreft een complexe nalatenschapsverdeling waarbij de eisende partij vordert dat de erfgenamen overgaan tot levering van percelen of een geldelijke schadevergoeding, met een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitkomst: Het beroep op nietigheid van de oproeping wordt afgewezen en gelijktijdige behandeling van de twee nalatenschapszaken wordt bevolen.

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: AR44/2009
Datum uitspraak: 24 februari 2010
Vonnisnummer:
VONNIS
inzake
[A.V.]
wonende in Nederland
eisende partij in de hoofdzaak
verwerende partij incident I
eisende partij in incident II
hierna te noemen: [A.V.]
gemachtigde mr. M.F. Bonapart en mr. D.M. Suares
tegen
de erfgenamen van [erflater]:
[J.G.S.]
te Bonaire
[M.F.S.]
te Bonaire
[E.A.S.]
te Bonaire
[A.H.S.]
gedaagden in de hoofdzaak
eiserende partij in incident I
verwerende partij in incident II
hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen
gemachtigde mr. E.Th. Wesselius
<b>De procedure</b>
<u>In de hoofdzaak</u>
Voor de loop van het geding verwijst het Gerecht naar de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 26 juni 2009, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de akte houdende wijziging/correctie.
<u>In incident I</u>
- het verzoek van 23 september 2009 strekkende tot nietigverklaring van het exploot van oproeping in de hoofdzaak,
- de conclusie van antwoord, met producties.
<u>In incident II</u>
- de akte houdende verzoek tot voeging,
- de conclusie van antwoord.
<b>De vordering</b>
<u>In de hoofdzaak</u>
[A.V.] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- de erfgenamen zal veroordelen om over te gaan tot de levering van de drie (3) percelen, waarbij wat betreft kavel 81 (1205) als schadevergoeding de levering van een gelijkwaardige kavel aan kavel 81 (1205);
- indien levering van een gelijkwaardige kavel niet mogelijk is, de erfgenamen zal veroordelen tot de levering van de twee (2) percelen, kavels 37 en 42 (thans 759) en een geldelijke schadevergoeding ter grootte van de koopsom van kavel 81 (1205);
- ter versterking van het bevel daaraan een dwangsom zal verbinden van NAƒ100,00 per dag, althans dagdeel, voor iedere dagdeel dat een gedaagde het bevel niet nakomt, de dwangsom ten faveure van [A.V.] en ten detrimente van iedere gedaagde die het bevel niet nakomt;
- de erfgenamen hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, met dien verstande dat indien een gedaagde aan de kostenveroordeling voldoet de andere gedaagden daarvan zullen zijn bevrijd.
<u>In incident I</u>
De erfgenamen verzoeken het exploot van oproeping op grond van artikel 93 Rv Pro nietig te verklaren.
De erfgenamen hebben het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd:
Conform artikel 5 lid 6 Rv Pro kan men ofwel de gezamenlijk erfgenamen oproepen dan wel ieder van de erfgenamen.
In deze zaak combineert [A.V.] ten onrechte twee van door de wet gegeven mogelijkheden.
[A.V.] dagvaardt de gezamenlijke erfgenamen, maar noemt en betekent de oproeping aan vier van de zes erfgenamen.
De oproeping is daarom op grond van artikel 92 Rv Pro nietig
Ten tweede geldt dat de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Dat is een reden temeer om niet anders dan als de gezamenlijke erfgenamen te worden gedagvaard.
<u>In incident II</u>
[A.V.] verzoekt de gezamenlijke behandeling van deze zaak met de eveneens bij het Gerecht onder zaaknummer AR82/2009 aanhangige zaak.
[A.V.] heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd:
De onderhavige procedure heeft [A.V.] tegen vier van de zes erfgenamen aanhangig gemaakt.
Vervolgens heeft [A.V.] de procedure onder zaaknummer 82/2009 tegen de resterende twee erfgenamen aanhangig gemaakt. [A.V.] kon dat niet eerder doen, omdat zij in afwachting was van informatie over de woonplaats en overige adresgegevens van deze twee erfgenamen en [A.V.] een mogelijke verjaring wenste te stuiten.
Bij het Gerecht zijn dus twee procedures aanhangig omtrent hetzelfde onderwerp en met dezelfde vordering, waardoor de procedures zodanig met elkaar verknocht zijn dat een gezamenlijke behandeling gerechtvaardigd en billijk is.
<b>Het verweer</b>
<u>In incident I</u>
[A.V.] heeft het volgende -voor zover relevant- tegen het verzoek aangevoerd:
[A.V.] heeft op geen enkel moment gebruik gemaakt en willen maken van twee oproepingsmogelijkheden, althans alle zes erfgenamen willen oproepen door alleen vier erfgenamen te doen oproepen. Dit blijkt uit het feit dat de erfgenamen met naam en woonplaats in het verzoekschrift worden genoemd en uit het feit dat op 3 september 2009 een gelijkluidende verzoekschrift tegen de overige twee erfgenamen is ingediend.
De aanduiding, erven in het verzoekschrift, is alleen bedoeld om aan te geven dat de personen die in het verzoekschrift worden vermeld, erfgenamen zijn van de overledene en niet dat daarmee bedoeld is om de gezamenlijke erfgenamen zonder naam en woonplaats te laten oproepen of alle zes erfgenamen op te roepen door te volstaan met de oproeping van vier erfgenamen.
<u>In incident II</u>
[A.V.] kan in deze zaak niets anders vragen dan rolvoeging. Immers, de eigenlijke voeging houdt in dat een partij in de zaak wordt betrokken die tussen andere partijen wordt gevoerd. De voegende partij sluit zich aan bij een der partijen. In deze zaak is dat onmogelijk. Het zijn twee aparte zaken, waarin dus twee aparte vonnissen zullen worden gewezen. Het enige wat mogelijk is, is dat de twee afzonderlijke zaken gezamenlijk op de rol worden behandeld.
De erfgenamen hebben geen bezwaar tegen de gezamenlijke rolbehandeling.
<b>De beoordeling van het geschil</b>
<u>In incident I</u>
1. Het Gerecht verwerpt het beroep op de nietigheid van de oproeping en overweegt daartoe het volgende.
2. Uit het feit dat de erfgenamen met hun namen en woonplaatsen in het verzoekschrift worden genoemd, blijkt dat [A.V.] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 5 aanhef Pro en onder 6 aanhef en onder a. Rv. Immers, als zij dat wel had willen doen, dan had zij de namen en woonplaatsen achterwege moeten laten. Dat het verzoekschrift ook vermeldt dat een rechtsvordering wordt ingesteld tegen “de erfgenamen van [erflater]” doet aan dat oordeel niet af. Nu de erfgenamen met hun namen en woonplaatsen worden genoemd, kan deze vermelding immers slechts worden gezien als een aanduiding van hun hoedanigheid van erfgenamen.
3. Gelet op de familierechtelijke betrekking tussen partijen zullen de kosten van het incident tussen hen worden gecompenseerd.
<u>In incident II</u>
4. Artikel 214 Rv Pro bepaalt dat een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, is bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.
5. Blijkens de bewoordingen van het verzoek, wordt door [A.V.] echter kennelijk niet de voeging van artikel 214 Rv Pro bedoeld, doch slechts de voeging ter gezamenlijke behandeling. De erfgenamen verzoeken immers niet om zich in de andere procedure te mogen voegen.
6. Nu daartegen door de erfgenamen geen bezwaar wordt gemaakt, zal de gezamenlijke behandeling worden bevolen.
7. Gelet op de familierechtelijke betrekking tussen partijen zullen de kosten van het incident tussen hen worden gecompenseerd.
<u>In de hoofdzaak</u>
8. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van repliek.
9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
<b>Beslissing</b>
Het Gerecht:
<u>In incident I</u>
Wijst het verzoek af.
Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incident draagt.
<u>In incident II</u>
Bepaalt dat deze zaak gezamenlijk zal worden behandeld met de zaak die bij dit Gerecht aanhangig is onder registratienummer AR82/2009.
Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incident draagt.
<u>In de hoofdzaak</u>
Verwijst de zaak naar de rolzitting van:
WOENSDAG 24 MAART 2010
voor conclusie van repliek.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in tegenwoordigheid van de griffier.