ECLI:NL:OGEAM:2026:81

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
SXM202600693
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 18c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag wegens groter belang Telem dan Flow

Flow heeft conservatoir beslag gelegd op alle bankrekeningen van Telem wegens een vermeende schuld van circa ANG 1,2 miljoen. Telem vordert opheffing van het beslag en beroept zich op verrekening met latere tegenvorderingen. Het Gerecht oordeelt dat het belang van Telem bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van Flow bij handhaving, mede vanwege de financiële positie van Telem en het feit dat de discussie over de verrekening al sinds 2024 speelt.

Partijen hebben in 2023 en 2024 onderhandeld over openstaande facturen en een settlement agreement, die door Flow is ondertekend maar niet door Telem. Telem heeft betalingen gedaan die verwijzen naar de overeenkomst, waardoor de schuld tot en met 2022 voldoende vaststaat. De hoofdelijkheid van de schuld tussen de drie Telem-vennootschappen wordt voorlopig aangenomen.

De crediteringen van november 2023 zijn onderwerp van discussie, waarbij Flow stelt dat het boekhoudkundige afboekingen betreft en Telem dit betwist. Het Gerecht acht het aannemelijk dat de kwestie nader in een bodemprocedure moet worden onderzocht. De beslagen leggen de financiële activiteiten van Telem lam, waardoor personeel en leveranciers niet kunnen worden betaald.

De proceskosten worden aan Flow opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de beslagen worden per direct opgeheven.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de bankrekeningen van Telem wordt opgeheven omdat het belang van Telem zwaarder weegt dan dat van Flow.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600693
Vonnis in kort geding 24 juni 2026
in de zaak van

1.de naamloze vennootschap SINT MAARTEN TELEPHONE COMPANY N.V,

2. de naamloze vennootschap SMITCOMS N.V.,

3. de naamloze vennootschap TELCELL N.V.,

alle gevestigd in Sint Maarten,
eiseressen,
gemachtigden: mr. P.A.M. Brandon en mr. M.R. Hammoud,
tegen

1.de naamloze vennootschapUNITED TELECOMMUNICATION SERVICES ST. MAARTEN N.V.,gevestigd in Curaçao en mede kantoorhoudende in Sint Maarten,

2. de naamloze vennootschap RADCOMM CORPORATION NV,gevestigd in Sint Maarten,
3. de naamloze vennootschap ANTELECOM N.V,gevestigd in Curaçao,
gedaagden,
gemachtigden: mr. W.D. Kweekel en mr. P. Soons.
Partijen zullen hierna Flow en Telem worden genoemd.
De zaak in het kort
Flow en Telem hebben in 2023 en 2024 overlegd over de over en weer verschuldigde bedragen van hun diverse vennootschappen. Flow stelt dat partijen op grond daarvan een Settlement hebben bereikt en dat Telem al ruim twee jaar lang een bedrag van Cg 1,2 miljoen aan Flow verschuldigd is. Flow heeft conservatoir beslag laten leggen op alle bankrekeningen van Telem. Telem beroept zich op verrekening met latere tegenvorderingen en vordert opheffing van de beslagen.
Het Gerecht heft de beslagen op, omdat het belang van Telem daarbij groter is dan het belang van Flow bij handhaving ervan. Flow kan de kwestie nog steeds in een bodemzaak aanhangig maken.
The Case in Brief
In 2023 and 2024, Flow and Telem held discussions regarding the amounts owed to and by their various companies. Flow asserts that the parties reached a settlement based on those discussions and that Telem has owed Flow Cg 1.2 million for over two years. Flow has obtained a preliminary attachment order on all of Telem’s bank accounts. Telem invokes set-off against subsequent counterclaims and seeks the lifting of the attachments.
The Court has lifted the attachments, as Telem’s interest in doing so outweighs Flow’s interest in maintaining them. Flow may still bring the matter before the court in a trial on the merits.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Telem heeft op 18 juni 2026 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van gelegde beslagen. Flow heeft op 19 juni 2026 stukken ingediend. Telem en Flow hebben ook stukken ingediend op 21 juni 2026.
Vervolgens heeft op 22 juni 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen (de gemachtigde van Telem en een vertegenwoordiger van Telem online vanuit Curaçao) en het woord hebben gevoerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is verklaard.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Flow en Telem zijn aanbieders van telecommunicatiediensten in zowel Sint Maarten als Curaçao. Om deze diensten te kunnen leveren in de beide landen maken Flow en Telem al vele jaren gebruik van elkaars telecommunicatie-infrastructuur en leveren zij elkaar onder andere interconnectie- en cross-over diensten. Deze diensten worden bij elkaar in rekening gebracht. Periodiek worden deze diensten afgerekend.
2.2.
Flow stelt dat Telem over de jaren 2021 en 2022 nog Cg 1.238.806,96 aan
haar verschuldigd is. Flow heeft op grond daarvan op 21 mei 2026 verlof gevraagd om ten laste van Telem conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder drie banken in Sint Maarten. De beslagrechter heeft Flow verzocht uit te leggen waarom het noodzakelijk was om beslag te leggen onder alle bankinstellingen, waarbij Telem bankiert en of er niet ook andere verhaalsmogelijkheden zouden zijn.
2.3.
Flow heeft haar verzoekschrift aangevuld en op 3 juni 2026 opnieuw verzocht om conservatoir derdenbeslag te leggen, onder de eerder vermelde banken. Dat verlof is op 4 juni 2026 door de beslagrechter verleend.
2.4.
De respectieve negen beslagen zijn op 12 juni 2026 gelegd en op dezelfde dag overbetekend aan de drie partijen (Telem).

3.Het geschil

3.1.
Telem vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, alle door Flow ten laste van eiseressen op 12 juni 2026 gelegde conservatoire derdenbeslagen onder The Windward Islands Bank (WIB/Maduro & Curiel's Bank N.V.), RBC Royal Bank N.V. en Republic Bank (St. Maarten) N.V. per direct op te heffen en Flow hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Partijen hebben in 2023 en 2024 onderhandeld over een aantal openstaande facturen van Flow. Er is een concept van een “settlement agreement” door Flow ondertekend en aan Telem toegezonden. Telem heeft dat concept niet ondertekend teruggestuurd. Partijen zijn het er echter over eens dat Telem op basis van de onderhandelingen een “outstanding balance” van ANG 115.874,49 per 31 december 2020 aan Flow verschuldigd was. Dat bedrag is op 22 december 2023 door Telem aan Flow betaald.
4.2.
Partijen zijn het er verder over eens dat zij zijn overeengekomen dat Telem per 31 december 2022 nog een bedrag van ANG 2.137.935,08 aan Flow verschuldigd was. Dat bedrag zou Telem in 4 gelijke termijnen van ANG 534.483,77 aan Flow voldoen. De eerste termijn is door Telem betaald op 27 februari 2024. In april 2024 heeft Telem nog een bedrag van ANG 364.644,35 betaald.
4.3.
Voor de periode tot en met 31 december 2022 is Telem dus nog een bedrag van Cg 1.238.806,96 verschuldigd.
4.4.
Evenals in dit vonnis, worden de drie partijen SMTC, Smitcoms en Telsell in het verzoekschrift tot het leggen van beslag gezamenlijk aangeduid als “Telem”. Als het Gerecht het goed begrijpt zijn er feitelijk negen beslagen gelegd, voor elk van de drie partijen onder drie banken.
Alleen ten tijde van het beslag bestaande saldi wordt getroffen, later binnenkomende bedragen vallen niet onder het beslag. Van geen van de drie banken was ten tijde van de mondelinge behandeling in dit kort geding nog een gerechtelijke verklaring ontvangen van wat onder het beslag valt.
De geschilpuntenGeen schending van artikel 18c Rv.
4.5.
Telem stelt zich op het standpunt dat Flow haar waarheidsplicht heeft geschonden. Zij stelt dat Flow in het beslagrekest ten onrechte heeft meegedeeld dat Telem geen expliciet beroep op verrekening heeft gedaan, maar eenvoudigweg gestopt is met betalen. Het eerste is juist; in de overgelegde e-mail van Telem van 18 april 2024 wordt het woord “verrekening” niet genoemd. Uit de hele opstelling van het bericht en de daarbij gevoegde berekening valt echter zonder meer af te leiden dat het de bedoeling van Telem was om tot verrekening van het vermelde bedrag over te gaan. Het Gerecht kon dat echter zelf lezen in de e-mail, die in zijn geheel door Flow in het geding is gebracht. Van een schending van de waarheidsplicht is daarom geen sprake.
4.6.
Datzelfde geldt voor het standpunt van Telem dat Flow haar waarheidsplicht heeft geschonden door te stellen dat de creditnota’s van november 2023 geen echte creditnota’s waren. Partijen verschillen hierover van mening, maar dat is niet hetzelfde als het schenden van de waarheidsplicht.
Geldt de Settlement Agreement?
4.7.
Telem stelt dat de Settlement Agreement van 26 januari 2024 haar niet bindt, omdat zij deze niet heeft ondertekend, terwijl dat wel een vereiste was voor de geldigheid. Telem heeft nooit ingestemd met de inhoud ervan en daarnaast betwist Telem de verschuldigdheid van rente op grond van de overeenkomst.
4.8.
Telem heeft voorafgaande aan deze procedure nooit het standpunt ingenomen dat de overeenkomst niet geldig zou zijn. Zij heeft in de correspondentie in 2024 telkens verwezen naar de inhoud ervan, als het ging om de verschuldigdheid van bedragen door Telem.
De eerste betaling is volgens de inhoud van de overeenkomst gedaan en de tweede betaling ziet ook op de verschuldigdheid uit de overeenkomst, zij het dat Telem daarbij een bedrag in mindering brengt, omdat zij dat wenst te verrekenen.
De door Telem gedane betalingen van februari en april 2024 verwijzen ten slotte ook naar de overeenkomst.
De verschuldigdheid van de bedragen op grond van de overeenkomst tot en met december 2022 staan daarmee naar voorlopig oordeel voldoende vast.
Hoofdelijkheid
4.9.
Hoofdelijke verbondenheid voor een schuld kan ontstaan door een rechtshandeling of door gewoonte. Telem voert als verweer tegen het beslag aan dat
ten onrechte de hoofdelijke verbondenheid voor de totale schuld wordt aangenomen. Daarom is ten onrechte onder alle drie de entiteiten beslag gelegd.
4.10.
Telem heeft gelijk dat er – opmerkelijk genoeg – in de Settlement Agreement niets over hoofdelijkheid wordt bepaald. Flow heeft er echter op gewezen dat er eerder in 2014 en 2016 soortgelijke besprekingen zijn gevoerd, telkens met de verschillende entiteiten van beide partijen, die dan werden afgerond in een settlement tussen de partijen op groepsniveau.
Daarnaast heeft Flow erop gewezen dat ook na het afsluiten van de overeenkomst in 2024, Telem zelf over de juistheid van de verschuldigde bedragen verklaringen heeft afgelegd als “Telem Group”.
Ten slotte blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat de betalingen in december 2023, februari 2024 en april 2024 zijn gedaan door SMTC, terwijl niet blijkt dat uitsluitend SMTC iets aan Flow verschuldigd was. Deze betalingen kunnen daarom worden gezien als betalingen namens de groep van drie entiteiten.
4.11.
Op grond van het voorgaande komt het Gerecht tot het voorlopig oordeel dat de drie Telem-vennootschappen hoofdelijk voor de schuld zijn verbonden.
De crediteringen van 20 november 2023
4.12.
Telem heeft in maart 2024 aan Flow meegedeeld dat haar bij de jaarafsluiting 2023 is gebleken dat zij nog een aanzienlijke vordering op Flow heeft. Die vordering bestond er met name uit dat Flow op 20 november 2023 diverse credit-nota’s aan Telem heeft gestuurd. Naast wat er verder over en weer verschuldigd was, kwam Telem per saldo uit op een vordering van Cg 1.238.806,96 op Flow. Omdat Telem op dat moment op grond van de overeenkomst (dus tot en met 2022) nog Cg 1.603.451,20 verschuldigd was, betaalde Telem vervolgens een bedrag van Cg 364.644,35 aan Flow. Zij stelde dat partijen daarmee tot en met 2023 niets meer aan elkaar verschuldigd waren.
4.13.
Flow heeft verklaard dat de crediteringen in november 2023 feitelijk zagen op afboekingen die allemaal te maken hadden met boekhoudkundige afwerkingen van posten, die te maken hadden met de Settlement Agreement over 2022.
4.14.
Op de in het geding gebrachte voorbeeldfacturen ziet het Gerecht dat de maandelijks in rekening gebrachte kosten het hele jaar door worden vastgesteld op een bedrag van Cg 528,94. Op de factuur van november 2023 verschijnt ook een regel: “Lease Lines rental adjustment” voor een bedrag van Cg 58.181,47 credit. [1] Dat wijkt opvallend en aanzienlijk af van het gebruikelijke maandbedrag. Een verwijzing naar de Settlement wordt er echter niet bij vermeld.
4.15.
Aan de andere kant heeft Telem aangevoerd dat nergens in de Settlement Agreement bedragen worden genoemd die al gecrediteerd zouden zijn. Dat zou ook gelden voor de excel-sheets, die beide partijen bij de onderhandelingen zouden hebben opgesteld. Daar voegt het Gerecht nog aan toe dat ter zitting onvoldoende door Flow kon worden toegelicht, waarom in november 2023 al crediteringen waren doorgevoerd, terwijl de uiteindelijke overeenkomst van 26 januari 2024 dateert.
4.16.
Ter zitting daarnaar gevraagd verklaarde Flow dat in de eerdere overeenkomsten van 2014 en 2016 een andere methode was toegepast en dat toen niet op deze wijze met Telem was verrekend. Daaruit kan het Gerecht dus niet afleiden dat Telem had moeten begrijpen dat het niet om werkelijke crediteringen ging.
4.17.
Op grond van wat hiervoor is overwogen, is het standpunt van Flow in zekere mate aannemelijk, maar dat van Telem kan ook niet direct worden weerlegd. Een en ander zal in de aangekondigde bodemprocedure nader moeten worden onderzocht.
Belangenafweging
4.18.
Uit de Nederlandse wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever heeft overwogen dat het zich kan voordoen dat een vordering in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.
“(…) de president in het in art. 705 bedoelde Pro kort geding kan oordelen dat het belang dat de schuldeiser [bij handhaving van het beslag – opm. Gerecht] heeft, niet tegen de belangen van de schuldenaar opweegt.” [2] Op grond van het Concordantiebeginsel mag aangenomen worden dat een en ander ook voor Sint Maarten geldt, omdat de desbetreffende wettelijke bepaling in artikel 705 Rv Pro. gelijk is aan die in Nederland. Bovendien hebben beide partijen verwezen naar Nederlandse jurisprudentie op dit punt.
4.19.
Alle bankrekeningen van de betrokken Telem-vennootschappen zijn beslagen. Dat wil concreet zeggen dat Telem alleen nog kan werken met saldi die na de beslagleggingen zijn binnengekomen. Ook zonder nader onderzoek neemt het Gerecht aan dat de Telem-bedrijven hierdoor feitelijk financieel zijn lamgelegd door Flow. Personeel en leveranciers kunnen dus niet of nauwelijks worden betaald. Daarbij komt dat Flow zelf heeft onderbouwd dat de financiële positie van Telem slecht is. Onder deze omstandigheden weegt het belang van Telem bij opheffing van de beslagen zwaarder dan dat van Flow bij handhaving ervan. Dat geldt temeer omdat de discussie tussen partijen over de al dan niet terechte verrekening door Telem als sinds 2024 speelt.
4.20.
De vorderingen zullen worden toegewezen.
Proceskosten
4.21.
Flow zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Die worden aan de zijde van Telem begroot op:
explootkosten Cg 748,50
zegelkosten Cg 50,00
griffierecht Cg 450,00
salaris gemachtigde
Cg 1500,00+
totaal: Cg 2748,50.
Slotopmerking
4.22.
De vertegenwoordiger van Telem stelde ter zitting dat Telem in staat is om over een of twee weken de financiële overzichten over 2023, 2024 en 2025 gereed te hebben. Dat zou dan een basis kunnen bieden voor overleg tussen partijen, dat sinds maart van dit jaar telkens maar niet op gang is gekomen.
Flow zou in staat moeten zijn op korte termijn het verzoekschrift in de bodemprocedure in te dienen; bij handhaving van de beslagen zou zij dat ook hebben gemoeten. Telem kan haar conclusie van antwoord dan ook zo spoedig mogelijk nemen, waarna een comparitie van partijen kan worden bepaald. [3]

5.De beslissing in kort geding

Het Gerecht:
5.1.
heft op alle door gedaagde partijen (Flow) ten laste van eiseressen op
12 juni 2026 gelegde conservatoire derdenbeslagen onder:
- The Windward Islands Bank (WIB/Maduro & Curiel's Bank N.V.),
- RBC Royal Bank N.V. en
- Republic Bank (St. Maarten) N.V.
5.2.
veroordeelt Flow in de proceskosten, aan de zijde van Telem tot op heden begroot op Cg 2.748,50, te vermeerderen met de nakosten, tot op heden begroot op Cg 250,- zonder betekening en Cg 400,- na betekening van dit vonnis, en bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2026 tot aan de dag van algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
The decision of the Judgment
This summary in English is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.

4.The considerations

(…)
4.19.
All bank accounts of the Telem companies in question have been frozen. In practical terms, this means that Telem can now operate only with funds that have been deposited after the accounts were frozen. Even without further investigation, the Court assumes that, as a result, the Telem companies have effectively been financially crippled by Flow. As a result, staff and suppliers cannot be paid, or can be paid only to a very limited extent. Furthermore, Flow itself has substantiated that Telem’s financial position is poor. Under these circumstances, Telem’s interest in lifting the attachments outweighs Flow’s interest in maintaining them. This is all the more true given that the dispute between the parties regarding the validity of Telem’s set-off has been ongoing since 2024.

5.The Decision in Summary Proceedings

The Court:
5.1.
Lifts all provisional third-party attachments imposed by the defendant (Flow) against the plaintiffs on
June 12, 2026, against:
- The Windward Islands Bank (WIB/Maduro & Curiel’s Bank N.V.),
- RBC Royal Bank N.V., and
- Republic Bank (St. Maarten) N.V.

Voetnoten

1.Factuur 0510070521 van 20 november 2023
2.Parlementaire Geschiedenis Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Inv. 3, 5 en 6), blz. 314.
3.Het Gerecht heeft ter zitting aangekondigd dat daarvoor voorlopig 30 september 2026, 8.30 uur wordt gereserveerd.