Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
1.DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [ERFLAATSTER]:
2. [naam 4],
1.Het procesverloop
- het inleidend verzoekschrift met producties, op 8 juli 2025 ter griffie ingediend;
- de conclusie van antwoord van 14 oktober 2025.
2.De feiten
“Alegria had voorafgaand aan het indienen van het initiële verzoek informatie kunnen inwinnen bij het bevolkingsregister van Trinidad en Tobago. Indien zij dat zou hebben gedaan, zou van het overlijden van [erflaatster] zijn gebleken en had Alegria reeds dan onderzoek kunnen doen naar de erfgenaam/erfgenamen van [erflaatster] om vervolgens die in rechte te betrekken. Door dit na te laten is een niet meer bestaande procespartij in rechte betrokken, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van Alegria heeft te leiden. De nagelaten betrekkingen van [erflaatster] hebben tot op de dag van vandaag geen verzoek tot schorsing ingediend. Mocht artikel 185 Rv Pro toch van toepassing zijn, dan dient daarom het geding op naam van wijlen [erflaatster] te worden voortgezet (artikel 185, tweede lid, laatste volzin).”
primair: de procedure te hervatten en door te procederen op naam van wijlen [erflaatster];
subsidiair: haar zus [naam 2] aan te wijzen als belanghebbende met opdracht tot het verstrekken van de informatie als bedoeld in artikel 187 Rv Pro.
3.Het geschil
Zekerheidshalve, en wel voor het geval dat opposanten procedureel om ontvangen te worden in hun verzet tegen de uitspraak van het Hof, mede verzet dienen aan te tekenen tegen het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg, wordt dit verzet hierbij aangetekend. Dit voorwaardelijk verzet beoogt ook de mogelijke situatie te dekken waarin het verzet zich behoort te richten tegen vonnissen in eerste aanleg als het Hof zich vervolgens ook in dezelfde zaak gebogen heeft en uitspraak deed.