Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
1.Het procesverloop
2.De gronden van de beslissing
Na door het in de hand genomen incassobureau te zijn aangemaand tekende [naam] op 17 april 2025 een schuldbekentenis. Door de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten bedroeg het verschuldigde toen in totaal Xcg 26.691,10 (USD 14.995,-), te vermeerderen met de wettelijke rente. [naam] diende dit totaalbedrag in maandelijkse termijnen van minimaal USD 500,- te betalen.
[naam] voldeed na de overeengekomen schuldbekentenis tot 2 februari 2026 slechts twee termijnen en is in verzuim. De laatste betaling dateert van 8 augustus 2025. [naam] is op basis van de schuldbekentenis, inclusief de wettelijke rente welke tot en met 27 januari 2026 Xcg 1401,02 (USD 787,09) bedraagt, nog Xcg 27.113,12 (USD 15.232,09) opeisbaar verschuldigd. De wettelijke rente vanaf 27 januari 2026 blijft doorlopen en is ook verschuldigd.
3.De beoordeling van het verzoek
Het is allereerst onjuist dat na verstekverlening een verstekvonnis pas na vijf maanden wordt gewezen. Daarnaast geldt dat volgens de Bank in deze zaak de laatste betaling van [naam] is gedaan op 8 augustus 2025. De Bank heeft daarna dus zelf vijf maanden gewacht, voordat het onderhavige verzoek is ingediend. Zij had ook half september 2025 de hoofdzaak kunnen beginnen. Ten slotte heeft de Bank niet kunnen onderbouwen dat [naam] mogelijk na een toewijzend vonnis niet meer bij zijn werkgever werkzaam zal zijn, terwijl hij daar op zijn minst al sinds 2022 werkzaam is.