De werknemer was sinds 31 december 2024 langdurig afwezig zonder geldige reden of bewijs van arbeidsongeschiktheid, ondanks herhaalde verzoeken van de werkgever om opheldering en bewijs.
De werkgever sprak op 14 februari 2025 een ontslag op staande voet uit wegens deze afwezigheid. De werknemer betwistte dit ontslag en stelde dat hij arbeidsongeschikt was en daarom niet ontslagen kon worden.
De rechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, omdat er een dringende reden bestond en het ontslag onverwijld en met opgave van reden was gegeven. Het opzegverbod bij ziekte was niet van toepassing.
Voor het geval het ontslag op staande voet later nietig zou worden verklaard, ontbond de rechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk wegens een verstoorde arbeidsrelatie en de langdurige afwezigheid zonder geldige reden.
De werknemer kreeg geen recht op een ontslagvergoeding, maar werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van Cg 2.050,00 aan de werkgever. Tevens werden zijn tegenverzoeken afgewezen en werd hij veroordeeld in de proceskosten.