Eiser is op 3 februari 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld en op 26 februari 2024 als ongewenst vreemdeling aangemerkt met een terugkeerverbod van drie jaar. Tegen deze beslissingen heeft eiser op 13 mei 2024 beroep ingesteld, ruim na de zeswekentermijn die op 8 april 2024 verliep.
Het Gerecht oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij het oordeel over de bewaring omdat deze reeds is opgeheven. Het beroep tegen de bewaring en verwijdering is daarom niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de ongewenstverklaring en het terugkeerverbod is het beroep eveneens niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Eiser stelde dat hij pas op 20 april 2024 bekend werd met de beslissingen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was. Het Gerecht acht dit niet aannemelijk omdat de beschikking op 26 februari 2024 in een voor eiser verstaanbare taal is voorgelezen en uitgereikt, en eiser documenten in het Engels heeft ondertekend.
Ook is niet gebleken dat eiser het beroep zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de beschikking heeft ingesteld. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen zes weken na verzending van de uitspraak.