Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAM:2024:65

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
6 augustus 2024
Publicatiedatum
3 september 2024
Zaaknummer
SXM202400135
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:405 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling redelijk loon voor taxatiediensten appartementencomplex

Sint Maarten Housing heeft een appartementencomplex getaxeerd voor [gedaagde], die eigenaar is van het perceel met het complex. Er is een overeenkomst van opdracht gesloten, maar geen finale inspectie vanwege medewerkingstekort van [gedaagde]. Sint Maarten Housing factureerde US$ 4.000, die niet is betaald.

[gedaagde] betwist de hoogte van het bedrag en stelt dat hij nooit opdracht gaf voor US$ 4.000, wijst op een alternatieve taxatie door ICE voor US$ 1.200 en benadrukt dat hij huurders niet wilde storen. De rechtbank oordeelt dat Sint Maarten Housing onvoldoende heeft bewezen dat partijen een bedrag van US$ 5.000 zijn overeengekomen.

Op grond van artikel 7:405 lid 2 BW Pro stelt de rechtbank een redelijk loon vast van US$ 2.000. De opdracht aan ICE is voor rekening van [gedaagde]. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van US$ 2.000 met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2022.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van US$ 2.000 met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2022.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202400135
Vonnis d.d. 6 augustus 2024
inzake
[naam] H.O.D.N. SINT MAARTEN HOUSING & PLANNING,
wonende in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: dhr. E.I. MADURO,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna Sint Maarten Housing en [gedaagde] worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift met producties, op 31 januari 2024 ter griffie ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • het comparitievonnis van 28 mei 2024;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 juli 2024 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en de gemachtigde van Sint Maarten Housing. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. [
gedaagde] is eigenaar van een perceel grond in het district Little Bay, met meetbriefnummer [nummer].
2.2.
Op dit perceel grond heeft [gedaagde] een appartementencomplex gebouwd.
2.3.
Op 18 augustus 2022 heeft Sint Maarten Housing het appartementencomplex bezichtigd, foto’s gemaakt en geïnspecteerd. Een finale inspectie heeft niet plaatsgevonden.
2.4.
Sint Maarten Housing heeft een factuur gestuurd van US$ 4.000,00 voor verrichte diensten en werkzaamheden. Deze factuur heeft [gedaagde] niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Sint Maarten Housing vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van US$ 4.000,00 althans een door het Gerecht te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2022 en de buitengerechtelijke incassokosten alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Sint Maarten Housing legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De finalisering van de diensten en werkzaamheden van Sint Maarten Housing voor [gedaagde] heeft door het handelen van [gedaagde] niet kunnen plaatsvinden. [gedaagde] zei elke keer dat hij de huurders niet wilde storen. Gemaakte afspraken werden door [gedaagde] afgezegd en nieuwe data werden niet doorgegeven. Daarom heeft Sint Maarten Housing een factuur gestuurd voor de tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden en diensten ten behoeve van [gedaagde]. Sint Maarten Housing stelt dat zij voor de eerste fase US$ 4.000,00 rekende en voor de finalisering nog eens US$ 1.000,00, derhalve zou hij voor de taxatie een bedrag van US$ 5.000,00 in rekening brengen.
3.3. [
gedaagde] heeft het volgende tot verweer gevoerd. [gedaagde] heeft contact opgenomen met de WIB om de bank te laten weten dat de bouw is voltooid en dat ze het saldo van het geld dat tijdens de bouwfase in de wacht was gezet kunnen vrijgeven. De WIB heeft gevraagd om een verklaring van een taxateur dan wel architect of een inspecteur, waarin staat dat het appartement is voltooid. [gedaagde] stelt dat Sint Maarten Housing tegen hem had gezegd dat zij voor US$ 400,00 de verklaring voor de WIB bank kon verzorgen. Een paar dagen later kwam mr. Brown langs bij het appartement en toen verklaarde de heer Brown dat hij alle 14 appartementen moest bekijken voordat hij een verklaring kon opstellen en dat hij dat kon doen tegen een kostprijs van ongeveer US$ 4.000,00, aldus [gedaagde]. [gedaagde] stelt dat hij dat erg prijzig vond en dat hij nooit de opdracht zou hebben gegeven voor een bedrag van US$ 4.000,00. [gedaagde] stelt dat hij bij ICE (Independent Consulting Engineers N.V.) heeft geïnformeerd om de prijzen te vergelijken en dat ICE de werkzaamheden heeft uitgevoerd voor een totaalbedrag van US$ 1.200,00 en dus niet Sint Maarten Housing. [gedaagde] stelt dat de heer Brown van Sint Maarten Housing slechts die ene keer geweest is en dat hij toen foto’s heeft gemaakt. [gedaagde] stelt ten slotte dat hij zijn huurders niet lastig wilde vallen en dat hij de heer Brown heeft gevraagd hem enige tijd te gunnen om met de huurders te spreken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Voorop wordt gesteld dat Sint Maarten Housing de stelplicht en de bewijslast heeft dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, nu [gedaagde] dit, naar het Gerecht begrijpt, betwist. Ter onderbouwing heeft Sint Maarten Housing aangevoerd dat [gedaagde] haar kantoor heeft bezocht en dat zij eerder (in 2021) voor [gedaagde] werkzaamheden heeft gedaan betreffende de bouw van de appartementen. De opdracht was destijds om documenten aan te leveren die [gedaagde] nodig had voor de financiering van het project door de WIB Bank. Sint Maarten Housing stelt dat zij in augustus 2022 van [gedaagde] de opdracht heeft gekregen een taxatierapport te maken ten behoeve van de WIB Bank en dat de onderhavige vordering daarop betrekking heeft. Gelet op het appraisal report van Sint Maarten Housing van 18 augustus 2022 betreffende lot met meetbriefnummer 216/2000, is voldoende onderbouwd dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Vast staat dat er geen finalisering heeft plaatsgevonden, nu volgens eigen zeggen van Sint Maarten Housing [gedaagde] elke keer de afspraak afzegde omdat hij de huurders niet wilde storen. Dit komt overeen met de stelling van [gedaagde] dat hij de heer Brown had gevraagd hem enige tijd te gunnen om met de huurders te spreken. Sint Maarten Housing heeft evenwel niet kunnen onderbouwen dat partijen een bedrag zijn overeengekomen van in totaal US$ 5.000,00. Op grond van art. 7:405 lid 2 BW Pro geldt in het geval de hoogte van het loon niet is bepaald, de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd is. Bij gebreke van een op gebruikelijke wijze berekend loon, zal het Gerecht een redelijk loon vaststellen van US$ 2.000,00. Dat [gedaagde] ook ICE opdracht heeft gegeven de taxatie te doen, komt voor zijn eigen rekening en risico en kan niet worden afgewenteld op Sint Maarten Housing.
4.2.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Sint Maarten Housing van een bedrag van US$ 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2022;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, rechter, bijgestaan door mr. C.E.S. Bauw, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.