AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek inzage strafdossier in civiele procedure over identiteitsfraude en onrechtmatige daad
In deze civiele procedure vordert eiser inzage in het volledige strafdossier dat verband houdt met een strafzaak in de Verenigde Staten waarin hij is veroordeeld voor belastinggerelateerde delicten. Eiser stelt dat hij recht heeft op deze stukken om zich te kunnen verdedigen en mogelijk een reconventionele vordering in te stellen tegen gedaagde wegens onrechtmatige daad en identiteitsfraude.
Gedaagde voert verweer dat eiser reeds het volledige strafdossier bezit en dat het verzoek onvoldoende bepaald is en geen rechtmatig belang bevat. Het Gerecht stelt vast dat het verzoek ex art. 40 lid 3 RvPro niet toewijsbaar is omdat eiser geen belang heeft bij het verzoek aan het Openbaar Ministerie, dat zelf ook bescheiden kan opvragen. Daarnaast voldoet het verzoek ex art. 843a Rv niet aan de cumulatieve voorwaarden: het belang van eiser is onvoldoende aannemelijk gemaakt, de gevraagde bescheiden zijn niet bepaald en het verzoek lijkt een fishing expedition.
Het Gerecht overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op het volledige strafdossier van gedaagde, dat immers zijn eigen dossier betreft. Bovendien krijgt eiser automatisch afschriften van stukken die in de procedure worden ingebracht. Daarom wijst het Gerecht de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten, die worden begroot op NAf 1.250,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek tot inzage in het strafdossier wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtmatig belang en onvoldoende bepaaldheid.
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400360
Vonnis in het incident d.d. 6 augustus 2024
inzake
[naam],
wonende in Sint Maarten,
eiser in het incident,
gedaagde in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. C.H.J. MERX,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde in het incident,
eiser in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. J. VEEN.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1.Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
de incidentele conclusie van 11 juni 2024, houdende een verzoek ex art. 40 lid 3 RvPro en art. 843a Rv;
de conclusie van antwoord;
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
2.De feiten
2.1.
In de hoofdzaak heeft [gedaagde] een vordering tot betaling van schadevergoeding ingediend.
2.2. [
eiser] is ten laste gelegd: 1. obstructie van de IRS (Amerikaanse Belastingdienst), 2. belastingontduiking en 3. het doen van valse belastingaangiftes. [eiser] is bij vonnis van 21 november 2023 door de Jury Rechtbank in Roanoke (Verenigde Staten) op alle drie punten veroordeeld.
2.3. [
gedaagde] stelt in de hoofdzaak dat [eiser] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat [gedaagde] door toedoen van [eiser] mede in de strafzaak is betrokken. [eiser] heeft volgens [gedaagde] Marine Holding Ltd en de familie [gedaagde] ten onrechte opgevoerd als eigenaar van [adres]. [eiser] heeft daarbij documenten vervalst of doen vervalsen. [eiser] heeft, aldus [gedaagde], ook nagelaten om op enig moment alsnog de waarheid te vertellen aan de IRS. [gedaagde] stelt dat wat [eiser] heeft gedaan de facto een ernstige vorm van identiteitsfraude is en derhalve in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid.
3.Het geschil
3.1. [
eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. primairhet openbaar ministerie te verzoeken het gehele strafdossier in deze procedure te brengen;
subsidiairhet openbaar ministerie te verzoeken om aan [eiser] inzage te geven in het strafdossier om vervolgens een nader, concreter verzoek te kunnen doen om bepaalde stukken uit het strafdossier in deze procedure te brengen;
meer subsidiairhet openbaar ministerie te verzoeken de verklaringen en geschriften als genoemd onder de diverse personen hiervoor en die zich in het strafdossier bevinden in deze procedure te brengen;
II. Indien het Gerecht geen aanleiding ziet om het openbaar ministerie te verzoeken om het strafdossier of onderdelen daarvan in het geding te brengen of indien het openbaar ministerie het verzoek niet inwilligt, [gedaagde] te bevelen een afschrift van het (digitale) strafdossier dan wel de verklaringen en de bescheiden genoemd onder de diverse personen hiervoor binnen 72 uur na datum vonnis of na het afwijzende bericht van het openbaar ministerie te overhandigen aan de gemachtigde van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van US$ 5.000 per dag;
III. Veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2. [
eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Het veroordelend vonnis van de Jury Rechtbank te Roanoke is de feitelijke fundamentele basis van de vordering van [gedaagde], maar uit de uitspraak blijkt niet dat [eiser] veroordeeld is voor identiteitsfraude, terwijl [gedaagde] dat wel aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. [eiser] ontkent ook dat hij identiteitsfraude heeft gepleegd. Voorts stelt [eiser] dat identiteitsfraude wel strafbaar gesteld is in Nederland, maar niet in Sint Maarten. [eiser] voert aan dat niet is komen vast te staan dat [eiser] documenten heeft vervalst. [gedaagde] wist van de problemen van [eiser]. [gedaagde] is aangehouden door drie personen. Hij werd opgewacht bij de vliegtuigdeur en is meegenomen als verdachte. Op dat moment is [gedaagde] spijtoptant geworden en heeft hij verzocht om immuniteit die hem ook is gegeven onder de voorwaarde dat hij zou getuigen in deze zaak. [eiser] stelt dat hij door het handelen van [gedaagde] en [naam] in de problemen is gebracht en dat hij door hen naar voren is geschoven als zondebok. [eiser] voert aan dat hij recht heeft op en belang heeft bij de voor hem ontbrekende delen van het strafdossier, althans dat deel dat hem regardeert. Hij moet kunnen motiveren waarom toewijzing van de vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn. De stukken die bij het verzoekschrift zijn overgelegd geven een eenzijdig beeld. Partijen hebben dus niet dezelfde toegang tot records en documenten in deze procedure. [gedaagde] houdt relevante stukken uit het strafdossier achter. Daarnaast wil [eiser] onderzoeken of het strafdossier voldoende aanknopingspunten kan bieden voor een reconventionele vordering, waarbij [eiser] de door [gedaagde] veroorzaakte schade kan verhalen.
3.3. [
gedaagde] heeft het volgende tot verweer gevoerd. [eiser] heeft zelf het complete strafdossier want hij stond terecht in de strafzaak en hij is veroordeeld. Voor zover [gedaagde] stukken gebruikt om bewijs te leveren in deze procedure, dan krijgt [eiser] automatisch een afschrift, waarop hij kan reageren. [gedaagde] stelt dat het verzoek ex art. 40 lid 3 RvPro strandt op het feit dat er geen reden is aan te nemen dat het Openbaar Ministerie in Sint Maarten de beschikking heeft over het volledige Amerikaanse strafdossier. Wat betreft het verzoek ex art. 843a Rv stelt [eiser] dat niet voldaan is aan het vereiste van rechtmatig belang. Voorts voert [eiser] aan dat de vordering onvoldoende bepaald is nu [eiser] alle verklaringen, alle correspondentie, de formulieren, contacten, vervolgcontacten en de hele boekhouding van Marine vordert. Daarnaast zien vele stukken niet op de rechtsbetrekking waarbij zowel [gedaagde] als [eiser] partij zijn, te weten de onrechtmatige daad gepleegd door [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Art. 40 lid 3 RvPro heeft betrekking op het geval waarin in een civiele procedure behoefte bestaat aan bescheiden waarover het Openbaar Ministerie beschikt. Zowel de rechter als partijen kunnen daarom verzoeken. Het Openbaar Ministerie is niet verplicht om aan dit verzoek gehoor te geven. Als het dat doet, dienen partijen voldoende gelegenheid te hebben zich over die bescheiden uit te laten. Dat geldt ook als de bescheiden worden overgelegd bij een conclusie van het Openbaar Ministerie. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld het proces-verbaal van een aanrijding. Het Openbaar Ministerie mag weigeren aan het verzoek te voldoen, maar dient dan die weigering te motiveren. [eiser] heeft geen belang bij het verzoek omdat ook een partij de bevoegdheid heeft het Openbaar Ministerie om bescheiden te verzoeken. De vordering zal derhalve worden afgewezen.
Verzoek ex art. 843a Rv
4.2.
Voorop wordt gesteld dat voor toewijsbaarheid van de vordering op grond van art. 843a lid 1 Rv er drie cumulatieve voorwaarden zijn:
(i) de eiser of verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift;
(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden; en
(iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.
In dit geval heeft, naar het Gerecht begrijpt, [eiser] gesteld belang te hebben bij de bescheiden om verweer te kunnen voeren en om mogelijk een reconventionele vordering in te stellen, die berust op onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiser] niet kunnen onderbouwen of aannemelijk kunnen maken dat hij een ‘rechtmatig’ belang heeft bij het volledige strafdossier. Zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd, betreft het immers zijn eigen strafdossier. Voorts is voor wat betreft de overige verklaringen en bescheiden niet voldaan om ‘bepaalde’ bescheiden. De vordering lijkt meer een zogenaamde fishing expedition te zijn en de wetgever heeft beoogd dat dat juist dient te worden voorkomen. Daarnaast heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat voor zover [gedaagde] stukken zal gebruiken om bewijs te leveren in deze procedure, [eiser] automatisch een afschrift krijgt, waarop hij kan reageren, zodat hij niet in zijn verdediging wordt geschaad.
4.3. [
eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op NAf 1.250,00 aan salaris gemachtigde.
5.De beslissing
Het Gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op NAf 1.250,00;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, rechter, bijgestaan door K.C. Knuiman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.