Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAM:2024:36

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
1 augustus 2024
Zaaknummer
SXM202301353
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:310 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over nabetaling loon en beroep op verjaring in arbeidsgeschil

In deze zaak vordert eiser nabetaling van loon over de periode 1992 tot 2022, stellende dat hij gedurende zijn dienstverband bij Funtime N.V. te weinig loon heeft ontvangen. Hij berekent een totaalbedrag van ruim NAf 611.000,- inclusief rente, ontslagvergoeding en kosten. Funtime betwist de loonvordering en voert verjaring in voor het deel van de vordering dat betrekking heeft op de periode vóór 25 april 2018.

Het Gerecht stelt vast dat voor loonvorderingen een verjaringstermijn van vijf jaar geldt volgens artikel 3:307 BW Pro. Het beroep van eiser op artikel 3:310 BW Pro wordt verworpen omdat de gevorderde schadevergoeding feitelijk neerkomt op loonvordering. Hierdoor is het deel van de vordering dat betrekking heeft op de periode vóór 25 april 2018 verjaard.

Verder wordt bepaald dat Funtime inzicht moet geven in de loonbetalingen vanaf 25 april 2018 tot het einde van het dienstverband, met specificatie per betalingsperiode en kalenderjaar. Eiser moet de kosten van het rapport nader onderbouwen. De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor nadere informatie en verdere behandeling, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De loonvordering is voor het deel vóór 25 april 2018 verjaard; nadere informatie over loonbetalingen na die datum wordt ingewonnen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202301353
Tussenvonnis d.d. 28 mei 2024 (bij vervroeging)
inzake
[naam],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. C.H.J. MERX,
tegen
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP FUNTIME N.V. h.o.d.n. CASINO ROUGE ET NOIR,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.
Partijen zullen hierna [eiser] en Funtime worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift met producties, op 21 november 2023 ter griffie ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de aantekeningen van de griffier gemaakt tijdens de mondelinge behandeling op 14 mei 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 14 mei 2024 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen (Funtime vertegenwoordigd door haar general manager [naam general manager] en haar administrator mevrouw [naam administrator]) en hun gemachtigden. [eiser] werd tevens vergezeld door de heer [naam opsteller rapport], verbonden aan Benjamin & Parker [1] . Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, en vragen van de rechter beantwoord. Uiteindelijk is de zaak verwezen naar de rol van 11 juni 2024 opdat partijen nadere informatie verstrekken (zie overwegingen 4.4 en 4.5. hieronder) en naar de rol van 25 juni 2024 voor een tussenvonnis met betrekking tot het beroep van Funtime op verjaring. In de tussentijd zouden partijen tevens onderzoeken of zij tot een schikking kunnen komen.
1.3.
De uitspraak van het tussenvonnis is bij vervroeging bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.
2.2. [
eiser] was vanaf 12 april 1992 tot 5 maart 2022 in dienst van Funtime, laatstelijk als assistant manager tegen een bruto uurloon van NAf 56,30. Overeengekomen was dat hij gedurende 6 dagen per week 7 uur per dag zou werken. Tweemaal per maand werd het loon van [eiser] uitbetaald. Bij beschikking d.d. 23 februari 2022 heeft dit Gerecht de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 5 maart 2022, waarbij aan [eiser] een ontbindingsvergoeding van NAf 52.000,- bruto is toegekend. Funtime heeft deze vergoeding aan [eiser] betaald.

3.Het geschil

3.1. [
eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Funtime tot betaling van een bedrag van NAf 611.795,-, met veroordeling van Funtime in de proceskosten.
3.2. [
eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat Funtime hem gedurende het gehele dienstverband te weinig loon heeft uitbetaald. Hij becijfert dat hij over de jaren 1992-2016 NAf 200.222,- te weinig aan loon heeft ontvangen en over de jaren 2017-2022 NAf 96.996,-. Aldus heeft Funtime zich schuldig gemaakt aan wanprestatie. In plaats van nakoming te verlangen kiest [eiser] voor een vervangende schadevergoeding. Het totaalbedrag van NAf 297.218,- dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, die naar [eiser]s berekening NAf 129.143,- bedraagt. Daarnaast maakt hij aanspraak op een ontslagvergoeding van NAf 47.692,-, alsmede op vergoeding van de (buitengerechtelijke) juridische kosten ad NAf 47.403,- en de kosten van het rapport van Benjamin & Parker ad NAf 90.737,-. Het totaal gevorderde bedrag bedraagt NAf 611.795.
3.3.
Funtime heeft het volgende tot verweer gevoerd. Wat betreft de periode vóór 25 april 2018 is de vordering van [eiser] verjaard op basis van artikel 3:307 BW Pro. Anders dan [eiser] stelt, is artikel 3:310 BW Pro hier niet van toepassing. Funtime betwist voorts [eiser] te weinig loon te hebben betaald. Afgerekend werd immers steeds op basis van de daadwerkelijk gewerkte uren. Ook de verschuldigheid van ontslagvergoeding, buitengerechtelijke juridische kosten en de kosten van het rapport worden gemotiveerd betwist.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling aangegeven zal het Gerecht eerst het beroep op verjaring beoordelen.
4.2. [
eiser] heeft in feite een loonvordering ingesteld en verlangt in feite nabetaling van het hem naar zijn berekening onthouden loon. Voor loonvorderingen geldt de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW Pro, vijf jaar. Hoewel [eiser] met zijn beroep op de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro een zekere mate van creativiteit niet kan worden ontzegd, gaat het Gerecht hierin niet mee. De vervangende schadevergoeding die [eiser] vordert, is immers gelijk aan het in zijn visie ten onrechte niet aan hem uitbetaalde loon. Aldus bezien is artikel 3:310 BW Pro niet van toepassing en geldt dat de vordering van [eiser] voor zoveel die ziet op het loon over de periode vóór 25 april 2018 is verjaard.
4.3.
Het Gerecht voegt daaraan toe dat ook indien artikel 3:310 BW Pro wel van toepassing zou zijn, dat [eiser] niet zou baten. De op [eiser] toepasselijke loonsystematiek is in de kern simpel: hij werd betaald op basis van het aantal gewerkte, ziekte- en vakantieuren. Uitbetaling van het loon en verstrekking van loonstroken vond 2 keer per maand plaats. Steeds na ontvangst van een loonstrook had [eiser] de gelegenheid om te controleren of zijn loon correct was berekend. Dit brengt met zich dat hij geacht moet worden steeds na die ontvangst bekend te zijn met eventuele schade.
4.4.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dient Funtime inzichtelijk te maken welk loon aan [eiser] is uitbetaald over de periode vanaf 25 april 2018 tot 5 maart 2022, waarbij per betalingsperiode duidelijk moet worden gemaakt over hoeveel uren [eiser] loon uitbetaald heeft gekregen, uit te splitsen per kalenderjaar. Indien [eiser] gedurende een kalenderjaar maandelijks over minder dan gemiddeld 84 uren loon uitbetaald heeft gekregen, geldt dat Funtime in beginsel het verschil alsnog aan [eiser] verschuldigd is.
4.5. [
eiser] dient, zoals afgesproken, de gevorderde kosten van het rapport van Benjamin & Parker te onderbouwen.
4.6.
De zaak wordt hiertoe verwezen naar de rol d.d. 11 juni 2024 (
P1), waarna op de rol d.d. 25 juni 2024 iedere partij een antwoordakte mag indienen (
P1).
4.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2024 (
P1), respectievelijk 25 juni 2024 (
P1) voor akten, respectievelijk antwoordakten zijdens beide partijen ter uitvoering van hetgeen onder 4.4. en 4.5. is overwogen;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.

Voetnoten

1.De opsteller van het door [eiser] als productie 2 overgelegde rapport.