Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAM:2024:24

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
SXM202200982
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verjaring en niet bepaalbare toezegging in joint venture geschil

Partijen zijn in 1996 een joint venture aangegaan voor exploitatie van het resort Mary's Boon. Eiser vordert betaling van een bedrag van USD 1.378.380,98, stellende dat gedaagden een financiële toezegging hebben gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdsomvordering verjaard is omdat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken zonder geldige stuiting. E-mailtoezeggingen van gedaagde 1 uit 2012-2017 worden erkend, maar zijn onvoldoende bepaalbaar om nakoming te vorderen. De vordering jegens gedaagde 2 wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf vijftien dagen na vonnisdatum tot volledige voldoening.

Uitkomst: Vordering tot betaling van USD 1.378.380,98 afgewezen wegens verjaring en onbepaalbare toezegging.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202200982
Vonnis d.d. 2 april 2024
inzake
[naam]hierna: [eiser],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
eiseres,
gemachtigde: mr. drs. E. Bokkes,
tegen

1.[naam], hierna: [gedaagde 1] ,

2. [naam]hierna: [gedaagde 2] ,
hierna samen te noemen: gedaagden,
beiden wonende in Sint Maarten,
gedaagden,
gemachtigde: mr. C.J. Koster.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het incidentele vonnis van 24 januari 2024;
  • de conclusies van antwoord, re- en dupliek;
  • de overgelegde producties.
1.2.
De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 16 februari 1996 schriftelijk een “joint venture” aangegaan. De joint venture heeft blijkens de overeenkomst tot doel dat partijen het resort Mary’s Boon in Simpson Bay zouden overnemen en exploiteren. [eiser] had te gelden als financier van het resort en gedaagden exploiteerden het.
2.2. [
eiser] heeft als productie 3 bij het verzoekschrift een
loan amortizationin het geding gebracht. Daarop staat als datum vermeld 11 april 2001 en is met de hand bijgeschreven de volgende tekst:
“Total Principal $ 1.095.450,00
Total interest $ 282.930,98
Due As of 3-31-01 $ 1.378.380,98
No Marys Boon Payment deducted (…)”
2.3. [
gedaagde 1] heeft in de periode van 2012 tot en met 2017 vanaf het [e-mail adres] meerdere e-mailberichten gestuurd naar [eiser]. In die e-mailberichten heeft [gedaagde 1] herhaaldelijk gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat [eiser] een deel van haar investering terug zou krijgen.

3.Het geschil

3.1. [
eiser] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van USD 1.378.380,98, subsidiair de veroordeling tot betaling van voornoemd bedrag, onder de voorwaarde dat Mary's Boon Resort zal zijn verkocht en dat de vordering van [eiser] door gedaagden dient te worden voldaan uit de verkoopopbrengst daarvan, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de rente van 0,0274% per dag, dan wel de wettelijke rente vanaf 1 april 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsook de betaling van een bedrag van NAf 9.000,00 aan incassokosten, de betaling van de beslagkosten en de betaling van de proces- en nakosten vermeerderd met rente.
3.2. [
eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagden hebben toegezegd dat zij een bedrag van USD 1.378.380,98 aan haar zouden betalen. [eiser] vordert de (on)voorwaardelijke nakoming van die toezegging.
3.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil of gedaagden aan [eiser] een financiële toezegging hebben gedaan, zoals door [eiser] is gesteld. [eiser] verwijst in dit verband ten eerste naar de
loan amortizationwaarop door [gedaagde 1] met de hand bijgeschreven zou zijn dat hij USD 1.378.380,98 verschuldigd zou zijn plus een jaarlijkse rente van 10%. [gedaagde 1] betwist dat het handschrift op de
loan amortizationvan hem afkomstig is.
4.2.
Het Gerecht is van oordeel dat de vraag of [gedaagde 1] de tekst op de
loan amortizationheeft geschreven, onbeantwoord kan blijven. Immers ook indien dat in rechte vast zou komen te staan, moet de daarop gebaseerde vordering van [eiser], gelet op het aan de zijde van gedaagden gevoerde verjaringsverweer, worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Anders dan gedaagden kwalificeert het Gerecht de vordering van [eiser] als een nakomingsvordering waarop de verjaringsregel als genoemd in artikel 3:307 BW Pro van toepassing is. Daarin is bepaald dat de nakomingsvordering vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden verjaart. Gedaagden hebben, hoewel zij de vordering van [eiser] hadden begrepen als een schadevergoedingsvordering, subsidiair, voor het geval het Gerecht de vordering zou kwalificeren als een nakomingsvordering, ook een beroep gedaan op artikel 3:307 BW Pro. Zij hebben in dat verband, onder verwijzing naar de
loan amortization, gesteld dat de verjaringstermijn is aangevangen op 11 april 2001. Nu [eiser] dit aanvangsmoment niet heeft betwist, betekent dit dat de nakomingsvordering, behoudens stuiting, op 11 april 2006 is verjaard. [eiser] heeft nog wel gesteld dat zij de vordering heeft gestuit, maar zij verwijst in dat verband naar beslagleggingen uit 2018 en 2022. Die beslagleggingen, wat daar verder ook van zij, hebben de verjaring dus in ieder geval niet tijdig kunnen stuiten.
4.4.
Het vorenstaande brengt met zich dat de op de
loan amortizationgebaseerde nakomingsvordering is verjaard.
4.5. [
eiser] heeft evenwel ook nog gewezen op e-mailberichten over de periode vanaf 2012 tot en met 2017. Het Gerecht is van oordeel dat [gedaagde 1] in deze e-mails financiële toezeggingen heeft gedaan. Dat, zoals door [eiser] is gesteld, deze toezeggingen door [gedaagde 1] ook namens [gedaagde 2] zijn gedaan, kan niet worden gevolgd omdat dit op geen enkele wijze is onderbouwd. De vordering jegens [gedaagde 2] zal daarom in ieder geval worden afgewezen.
4.6. [
gedaagde 1] heeft aangevoerd dat deze toezeggingen niet duidelijk en niet ondubbelzinnig waren, maar dat verweer volgt het Gerecht niet. De strekking van die e-mailberichten was vrijwel altijd hetzelfde, namelijk een toezegging door [gedaagde 1] dat hij ervoor zou zorgen dat [eiser] een deel van haar investering terug zou krijgen. Wel volgt het Gerecht het verweer van gedaagden dat de toezegging niet bepaalbaar is geweest. In geen enkel e-mailbericht wordt immers concreet gesproken over welk bedrag [gedaagde 1] aan [eiser] terug zou betalen. In beginsel staat dat de toewijzing van een rechtsvordering tot nakoming van een toezegging niet in de weg, maar in dit geval, gelet op de formulering van het petitum van [eiser], wel. [eiser] vordert immers een bedrag van USD 1.378.380,98 onder de voorwaarde dat dit bedrag voldaan wordt uit de verkoopopbrengsten van Mary’s Boon. Zij stelt hiermee in feite dat door [gedaagde 1] in de e-mailberichten een financiële toezegging is gedaan ter hoogte van USD 1.378.380,98, maar, zoals gezegd, volgt dat daar niet uit. In zoverre is de door [eiser] ingestelde vordering dan ook niet toewijsbaar en zal ook de vordering ingesteld jegens [gedaagde 1] worden afgewezen.
4.7.
Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft ook geen bespreking meer omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat.
4.8. [
eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te noemen termijn.

5.De beslissing

Het Gerecht
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden vastgesteld op NAf 12.000,00 (tarief 11, 2 punten à NAf 6.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door
mr. M.E. Diri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.