Uitspraak
1.Aanduiding bestreden beschikking
2.Het verloop van de procedure
3.Feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
De beslissing
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Eiseres, een inwoner van Sint Maarten sinds 2007 met de Dominicaanse nationaliteit, had een vergunning tot tijdelijk verblijf (v.t.t.v.) als directeur van een onderneming waarvan de geldigheid op 8 juli 2020 was verlopen. Zij diende pas op 8 juli 2021 een verlengingsaanvraag in, waardoor een verblijfsgat van een jaar ontstond.
Het Gerecht oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de late indiening van de aanvraag was veroorzaakt door verschoonbare omstandigheden. Een beroep op de Covid-pandemie faalde omdat reeds in juni 2020 een drie maanden 'Covid Grace Period' was aangekondigd. Daarnaast werd vastgesteld dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd dat zij daadwerkelijk voldoende inkomsten ontving uit de onderneming waarvoor zij directeur was.
Tijdens de hoorzitting bood het Gerecht haar de mogelijkheid aanvullende stukken te overleggen, maar dit gebeurde niet. De verklaring van de Caribbean Business Administration en de belastingdienst waren onvoldoende onderbouwd. Het Gerecht concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor de vergunning tot tijdelijk verblijf als directeur wordt afgewezen.