In artikel 16, eerste lid van de Lar is bepaald dat het beroepschrift wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven, of geldt als te zijn geweigerd. In het tweede lid van hetzelfde artikel is bepaald dat de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven. In het derde lid is bepaald dat wanneer een beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
De thans eerst te beantwoorden vraag is of de beroepschriften tijdig zijn ingediend. De bestreden beslissingen zijn gedagtekend 31 mei 2022. Onweersproken is dat dat de bestreden beschikkingen op 31 mei 2022 zijn ontvangen. De termijn voor het indienen van beroep verstreek derhalve op 12 juli 2022, zes weken na de dag waarop de beschikkingen zijn gegeven. Het (pro-forma) beroepschrift is vervolgens op 14 juli 2022 ingediend. Dit is twee dagen na het verstrijken van de beroepstermijn.
Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft evenwel achterwege indien er redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Eiseres beroept zich op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Eiseres betoogt in dit kader dat de termijnoverschrijding niet aan haar is toe te rekenen, omdat sprake is van overmacht. Zij voert daartoe aan dat de heer [naam directeur], directeur van het vennootschap, wegens medisch verblijf in het buitenland, niet in staat was tijdig de beroepschriften in te dienen.
Verweerder verweert zich hiertegen. Verweerder voert aan dat er geen medische stukken in het geding zijn overgelegd.
Het Gerecht is van oordeel dat de aangevoerde medische toestand van haar directeur geen aanleiding is om de termijn overschrijding verschoonbaar te achten. Eiseres heeft zich door een gemachtigde laten bijstaan in de bezwaarprocedure. Voorts wordt eiseres in de beroepsprocedure bijgestaan door een gemachtigde. Deze gemachtigde was kennelijk in staat om op 14 juli 2022 pro forma beroepschriften in te dienen. Niet valt in de zien dat deze gemachtigde niet in staat was om tijdig voor het verstrijken van de beroepstermijn beroep in te stellen.
Om die reden ziet het Gerecht geen aanleiding voor het oordeel dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan eiseres toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat zij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Het Gerecht oordeelt dan ook dat het beroepschrift te laat is ingediend.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepen van eiseres niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.