Eiser, burger van de Dominicaanse Republiek, diende een aanvraag in voor een vergunning tot tijdelijk verblijf (v.t.t.v.) op Sint Maarten met als doel gezinsvorming met zijn echtgenote. Na een eerdere toewijzing werd zijn aanvraag in 2020 afgewezen wegens onvoldoende bewijs van samenwoning en het vermoeden van een schijnhuwelijk. Het bezwaarschrift werd door verweerder ongegrond verklaard.
Eiser stelde dat zijn echtgenote op Sint Maarten woonde en dat zij samenwoonden, maar kon dit onvoldoende aantonen. Tijdens de zittingen werd de behandeling meerdere malen aangehouden om nader bewijs te leveren. De overgelegde kopieën van het paspoort van de echtgenote waren onvolledig en toonden aan dat zij in augustus 2022 vertrokken was uit Sint Maarten, zonder bewijs van terugkeer. De salarisstroken waren dubieus en betroffen een periode na haar vertrek.
Het Gerecht concludeerde dat de aanwezigheid van de echtgenote op Sint Maarten onvoldoende vaststond en dat er geen sprake was van samenwoning. Hierdoor was het vermoeden van een schijnhuwelijk gerechtvaardigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergunning gehandhaafd.