Verzoekster verblijft sinds 1991 op Sint Maarten en heeft sinds 2015 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De minister van Justitie heeft op 26 april 2022 haar vergunning ingetrokken, waarna verzoekster beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg om de intrekking te schorsen.
Verzoekster stelde dat haar lange verblijfsduur, gezinssituatie, onbesproken gedrag en vaste werkbetrekkingen maken dat onmiddellijke uitzetting onbillijk en onevenredig hard zou zijn. De minister verzette zich niet tegen de schorsing.
Het Gerecht oordeelde dat de uitvoering van de beschikking onevenredig nadeel oplevert en schorst de intrekking totdat in de bodemzaak onherroepelijk is beslist. Tevens veroordeelde het Gerecht de minister tot betaling van proceskosten van NAf 700,--. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.