Eiser was sinds 1 januari 2020 in dienst als manager bij gedaagde. Na ziekenhuisopname van de CEO werd een overdrachtsovereenkomst gesloten, die later werd ontbonden. Eiser werd op 2 juni 2020 op staande voet ontslagen wegens onbevoegde overboekingen naar een Poolse bankrekening. Eiser betwistte de bevoegdheid van het ontslag en vorderde loonbetaling.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat gedaagde reeds op 2 april 2020 op de hoogte was van de vermeende onbevoegde handelingen, maar het ontslag pas op 2 juni 2020 gaf, wat wijst op onvoldoende urgentie. Bovendien was geen ontslagvergunning aangevraagd of verkregen, wat vereist is.
Daarom werd het ontslag nietig verklaard en werd gedaagde veroordeeld tot doorbetaling van het loon van NAf 5.000 per maand vanaf 2 juni 2020, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20%. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.