ECLI:NL:OGEAM:2020:7

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
27 januari 2020
Publicatiedatum
25 februari 2020
Zaaknummer
Lar 26/2019, SXM 201900315
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Landsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning minderjarige wegens onvoldoende bewijs vaderschap en gezag

Eiser, afkomstig uit Haïti en sinds 1999 Nederlander, verzocht om een verblijfsvergunning ten behoeve van een minderjarig kind. De aanvraag werd op 17 april 2018 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard op 22 februari 2019. Eiser stelde dat hij de biologische vader was, ondersteund door een DNA-onderzoek en een notariële akte waarin de moeder het eenhoofdig gezag aan hem zou hebben toegekend.

Tijdens de procedure, met zittingen op 9 september en 9 december 2019, werd echter vastgesteld dat de overgelegde documenten niet voorzien waren van een apostille, waardoor de echtheid niet kon worden vastgesteld. Ook was de DNA-test uit 2010 onvoldoende betrouwbaar vanwege gebrek aan nadere informatie. De notariële akte werd als onvoldoende beoordeeld om het eenhoofdig gezag aan te tonen.

Het Gerecht concludeerde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij de vader was en het eenhoofdig gezag bezat. Daarom was de afwijzing van de verblijfsvergunning terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vaderschap en gezag.

Uitspraak

Uitspraakdatum: 27 januari 2020
Zaaknummer: SXM201900315-LAR00026/2019
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
(x),
eiser,
gemachtigde: dhr. E.I. MADURO,
tegen
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.O. MULLER,

1.Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 22 februari 2019, waarbij verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen verweerders beschikking van 17 april 2018 inhoudende afwijzing aanvraag vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv), ten behoeve van (y) ongegrond heeft verklaard.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Met een op 2 april 2019 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).
2.2.
Op 29 mei 2019 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.
2.3.
Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 september 2019 en 9 december 2019. Eiser is bij zijn gemachtigde verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.
2.4.
Uitspraak is bepaald op heden.

3.Feiten

  • Eiser is afkomstig uit Haïti en heeft sedert 16 maart 1999 de Nederlandse nationaliteit.
  • Eiser heeft op 5 december 2017 een aanvraag tot verlening van een vttv ten behoeve van het minderjarige kind (y) ingediend.
  • Bij beschikking van 17 april 2018 is de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft bij brief van 22 februari 2019 het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat niet daadwerkelijk vaststaat dat eiser de vader is van de minderjarige en bij uitsluiting belast is met het ouderlijke gezag over de minderjarige en als zodanig bevoegd is om ten behoeve van de minderjarige in kwestie een vttv aan te vragen.

4.Het geschil

4.1.
Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep te vernietigen en verweerder op te dragen de verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige te verlenen.
4.2.
Eiser legt daaraan het volgende ten grondslag. Ingevolge Haïtiaans burgerlijk recht kan de ongehuwde vader opgave van geboorte doen, waarbij wettelijk vast komt te staan dat hij de vader is van de minderjarige. De erkenning van de minderjarige is dan een rechtsfeit. Voorts heeft eiser een DNA onderzoek overgelegd waarbij is bepaald dat hij de biologische vader is. Uit de overgelegde notariële akte blijkt voorts dat eiser als voogd voor en namens de moeder kan optreden.
4.3.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5.De beoordeling

5.1.
Met verweerder is het Gerecht van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde documenten onvoldoende heeft aangetoond dat hij de vader is van de minderjarige en dat hij het eenhoofdig gezag heeft over de minderjarige.
5.2.
Geen van de door eiser overgelegde documenten zijn voorzien van de benodigde apostille waardoor het niet mogelijk is voor verweerder om de echtheid van de documenten te beoordelen. Nu eiser ook niet heeft gesteld en onderbouwd dat het voor hem onmogelijk is om gelegaliseerde en geverifieerde documenten te overleggen komt het voor zijn risico dat de overgelegde documenten onvoldoende zijn om zijn stellingen te onderbouwen. Voorts heeft verweerder terecht gewezen op het feit dat de door eiser overgelegde DNA test in het geheel niet is te beoordelen op echtheid. Het overgelegde document dateert uit 2010 en de betrouwbaarheid van de uitgevoerde test bij gebrek aan nadere informatie is niet te beoordelen.
5.3.
Voorts is het Gerecht van oordeel dat de overgelegde notariële akte waaruit zou blijken dat de moeder van de minderjarige het eenhoofdig gezag aan eiser toe heeft vertrouwd als onvoldoende moet worden beoordeeld. Niet alleen is ook deze akte niet voorzien van een apostille, het Gerecht is van oordeel dat met een dergelijke akte niet volstaan kan worden.
5.4.
Het Gerecht is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6.De beslissing

Het Gerecht:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 27 januari 2020.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.