Uitspraak
1.Aanduiding bestreden beschikking
2.Het verloop van de procedure
3.Feiten en standpunten van partijen
- Eiser is op 28 maart 2015 Sint Maarten ingereisd zonder zich bij de (immigratie) autoriteiten te melden of een aanvraag voor enige verblijfsvergunning in te dienen. Hij heeft vervolgens illegaal hier te lande verbleven en ook gewerkt.
- Op 14 januari 2016 is eiser bij een controle van de Mobiele Toezicht en Kustwacht van verweerder aangetroffen op een werkplaats in Oyster Pond, waarbij strijd met de Landsverordening Toelating en Uitzetting is geconstateerd. Eiser was op dat moment werkzaam op het dak van een gebouw, hij sprong bij het zien van de betreffende ambtenaren van het dak naar beneden. Na medische controle en behandeling in het ziekenhuis is verzoeker vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op zijn verwijdering.
- Op 5 februari 2016 heeft de eiser, via zijn gemachtigde een aanvraag politiek asiel ingediend.
- Op 27 februari 2016 stond de verwijdering gepland van eiser naar Haïti. Op verzoek van de gemachtigde heeft het Gerecht die dag een zogenoemde bevriezingsmaatregel opgelegd.
- Op 4 maart 2016 heeft het Gerecht een uitspraak gewezen op het verzoek om een voorlopige voorziening, hangende de bodemprocedure tegen de bewaring, ongewenst verklaring en verwijdering. In deze uitspraak heeft het Gerecht de bewaring geschorst totdat op het asielverzoek zal zijn beslist.
- Op 7 april 2016 is eiser over zijn asielmotieven gehoord.
- Bij uitspraak van 19 september 2016 heeft het Gerecht het beroep tegen de bewaring, ongewenst verklaring en verwijdering gegrond verklaard omdat –kortweg- verweerder nog steeds niet heeft beslist op het asielverzoek en verweerder daarom niet kan zeggen dat het belang van de openbare orde nog steeds de bewaring van eiser vergt.
4.Beoordeling
5.De beslissing
- verklaart het beroep gegrond
- vernietigt het bestreden besluit
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven
- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure en bepaalt dat het land Sint Maarten aan eiser zal betalen een bedrag van NAf 1.400,-- voor salaris gemachtigde en een bedrag van NAf 150,-.