ECLI:NL:OGEAC:2026:98

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
CUR202600605
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1614q BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking bewijsvermoeden arbeidsovereenkomst en bewijslevering in arbeidszaak

Op 20 april 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een tussenbeschikking gewezen in een arbeidszaak tussen verzoeker en verweerder. Verzoeker stelt dat hij sinds 15 augustus 2025 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst als beveiliger werkzaam was bij verweerder en dat hij onterecht op staande voet is ontslagen. Verzoeker vordert onder meer de nietigheid van het ontslag en betaling van achterstallig loon.

Verweerder betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en stelt dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen. Het gerecht stelt vast dat er een vermoeden bestaat dat er een arbeidsovereenkomst is, mede op basis van een rapport van de Sector Arbeid waarin verklaringen van beide partijen zijn opgenomen.

Het gerecht laat verweerder toe om tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden van de arbeidsovereenkomst en verwijst de zaak naar een volgende zitting voor de bewijslevering. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. Verzoeker wordt tevens kosteloos procederen toegestaan.

Uitkomst: Gerecht bevestigt bewijsvermoeden arbeidsovereenkomst, staat tegenbewijs toe en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202600605
Beschikking van 20 april 2026
in de zaak van
[Verzoeker],wonend in [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,
tegen
[Verweerder],wonend in [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. E.B. Wilsoe.
Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerder] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 20 februari 2026, met producties,
  • de akte wijziging eis van [verzoeker],
  • de mondelinge behandeling van 19 maart 2026 waarbij zijn verschenen: [verzoeker], bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. C.G. Diesveld, en namens [verweerder] zijn gemachtigde;
  • de pleitaantekeningen van partijen.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
verzoeker] heeft zich op 5 november 2025 gewend tot de sector arbeid van het ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn Sector Arbeid (SOAW).
2.2.
Naar aanleiding daarvan is door de klachtenbehandelaar van SOAW op 19 december 2025 een rapport opgemaakt waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Werknemersverklaring
De werknemer heeft werk gekregen als security bij [verweerder] die geen security heet. De werknemer is op 15 augustus 2025 begonnen met werken bij een casino als security. De werknemer moest 6 keer per week werken voor cg. 2000,00 per maand. De werknemer kreeg geen salarisstrip noch rooster.Eind oktober, op 31 oktober 2025, ging de werknemer bij [verweerder] klagen dat hij cg. 437,76 te weinig betaald kreeg. Volgens de werknemer zei de werkgever tegen hem dat hij zijn uniform moest brengen en weg moest gaan. De werknemer geeft aan dat hij op die manier op 31 oktober 2025 werd ontslagen.
Zie bijlage werknemersverklaring
Werkgeversverklaring
Ik als klachtenbehandelaar heb de werkgever verschillende keren geprobeerd te bellen, zonder resultaat. Op een gegeven moment belde de werkgever terug, niet wetende dat het Sector Arbeid was. Ik heb met de werkgever gesproken over de werknemer. De werkgever was niet echt bereid om erover te praten en gaf heel snel aan dat de werknemer degene was die boos wegging en de deur hard dicht klapte, waardoor de deur zelfs kapotging.
Bevindingen
Op basis van de verklaringen van de werknemer en de werkgever, zijn er tegenstrijdige versies van de gebeurtenissen. De werknemer geeft aan dat hij werd ontslagen door de werkgever, terwijl de werkgever beweert dat de werknemer zelf wegging.
Er is een geschil over de reden van het einde van de arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft recht op een duidelijke verklaring van de werkgever over de reden van zijn vertrek.
De werkgever heeft geen schriftelijke noch mondelinge arbeidsovereenkomst opgesteld met de werknemer, waarin de arbeidsvoorwaarden zoals het aantal werkdagen, salaris en salarisslip andere relevante informatie duidelijk zijn vastgelegd.”

3.Het verzoek3.1. [verzoeker] verzoekt het gerecht, na wijziging eis,a. [verzoeker] verlof te verlenen om kosteloos te procederen,b. primair: voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag (op staande voet) nietig is, althans als zodanig dient te worden aangemerkt,c. [verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van het loon aan [verzoeker] totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, verhoogd met de wettelijke rente en de vertragingsrente van 50% conform artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (BW) tot aan de dag van de algehele voldoening,[verweerder] te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de maand oktober 2025 voor het bedrag van Cg 437,76, vermeerderd met de wettelijke rente en de vertragingsrente van 50% conform artikel 1614q BW tot aan de dag van de algehele voldoening,e. subsidiair: voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en [verweerder] op grond daarvan te veroordelen tot betaling van een door het gerecht in goede justitie te betalen bedrag aan schadevergoeding,f. meer subsidiair: voor recht te verklaren dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag onregelmatig is en [verweerder] op grond daarvan te veroordelen tot betaling van een door het gerecht in goede justitie te betalen bedrag aan schadevergoeding,g. meer meer subsidiair: een zodanige beslissing die het gerecht in goede justitie mocht vermenen te behoren,h. dit alles met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente indien binnen 14 dagen na de beschikking niet is voldaan aan de veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [
verzoeker] legt aan de vordering ten grondslag, samengevat, dat hij op 15 augustus 2025 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij [verweerder] in de functie van beveiliger tegen een salaris van laatstelijk Cg 2.000 bruto per maand. [verzoeker] ontving zijn loon in contanten van [verweerder]. [verzoeker] heeft herhaaldelijk om loonstroken verzocht, maar heeft deze nooit ontvangen. Bij de uitbetaling van zijn loon op 1 november 2025 ontbrak een loonbedrag van Cg 437,76. Toen [verzoeker] om dit bedrag vroeg, werd hij op zeer onbeschofte wijze door [verweerder] verzocht zijn uniform in te leveren en te kennen gegeven dat hij niet meer terug hoefde te komen. Aangezien [verzoeker] op staande voet werd ontslagen heeft hij zich tot SOAW gewend. Van dringende redenen die het ontslag rechtvaardigen is geen sprake. Het ontslag is daarom nietig. Subsidiair is sprake van een kennelijk onredelijk gegeven ontslag en meer subsidiair van een onregelmatig gegeven ontslag, aldus [verzoeker].
3.3. [
verweerder] verweert zich tegen de vordering en voert, samengevat, aan dat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat. [verweerder] kan niet als werkgever van [verzoeker] worden aangemerkt. [verzoeker] dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen dan wel dienen zijn vorderingen te worden afgewezen.

4.4. De beoordeling4.1. [verweerder] voert als verweer dat er nooit een arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan. Alvorens te kunnen toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [verzoeker], dient te worden vastgesteld of tussen partijen sprake is van een arbeidsrelatie, zoals [verzoeker] stelt en [verweerder] betwist. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een mondelinge arbeidsovereenkomst hebben gesloten op basis waarvan hij tegen loonbetaling werkzaamheden voor [verweerder] heeft verricht, een rapport van SOAW van 19 december 2025 in het geding gebracht. Naast een verklaring van [verzoeker] als werknemer is daarin ook een verklaring van [verweerder] als werkgever opgenomen (zie hiervoor onder 2.2.). Ter zitting is namens [verweerder] erkend dat hij een gesprek heeft gevoerd met een medewerker van SOAW. [verweerder] betwist echter de inhoud van het gesprek zoals dat is weergegeven in voormeld rapport van SOAW.

4.2.
Aangezien [verweerder] erkent dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen hem en de klachtenbehandelaar van SOAW, en gezien de inhoud van voornoemd rapport, is het vermoeden gerechtvaardigd dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Aangezien dit oordeel voorlopig van aard is zal op grond van het geldende bewijsrecht [verweerder] in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren.
4.3. [
verweerder] zal worden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling van [verzoeker] dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen.
4.4. [
verweerder] zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te kennen te geven of en, zo ja, op welke wijze hij tegenbewijs wenst te leveren en, indien hij dat bewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, opgave te doen van het aantal te horen getuigen en de verhinderdata van beide partijen en van de getuigen.
4.5.
Indien na de bewijslevering komt vast te staan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, zal het gerecht overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [verzoeker].
4.6.
Het gerecht houdt iedere verdere beslissing aan.

5.5. De beslissing

Het gerecht:
5.1.
laat [verzoeker] toe om kosteloos te procederen;
5.2.
laat [verweerder] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen;
5.3.
verwijst de zaak naar de familierol van dinsdag 26 mei 2026 om 8.30 uur voor akte uitlating levering tegenbewijs aan de zijde van [verweerder];
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. J.H. Sulsters, griffier, en in het openbaar uitgesproken.