ECLI:NL:OGEAC:2026:92

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
CUR202601546
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Bouw- en WoningverordeningArt. 13 Bouw- en WoningverordeningArt. 29 Bouw- en WoningverordeningArt. 226 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afbraak bouwwerk wegens zicht op legalisering en onvoldoende spoedeisend belang

In deze kortgedingprocedure vordert eiser afbraak van een bouwwerk dat door gedaagden is opgericht, omdat het volgens eiser in strijd is met de bouwvoorschriften en te dicht bij de erfgrens staat. Eiser stelt dat het bouwwerk onrechtmatig is en dat ook schade is toegebracht aan een mandelige muur. Gedaagden voeren verweer en wijzen erop dat de bouwwerkzaamheden door de overheid zijn stilgelegd en dat er zicht is op legalisering van het bouwwerk.

Het gerecht overweegt dat een verklaring voor recht niet mogelijk is in kort geding omdat dit een definitief oordeel betreft. De vordering tot verbod op voortzetting van de bouw wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang, nu de bouw al is stilgelegd en gedaagden niet zullen hervatten zonder nieuwe vergunning. De afbraakvordering wordt afgewezen omdat dit een te ingrijpende en onomkeerbare maatregel is, mede gezien het zicht op legalisering.

Ten aanzien van de schade aan de mandelige muur is er een geschil over eigendom en oorzaak van de schade. Dit kan niet in kort geding worden beoordeeld, zodat ook deze vorderingen worden afgewezen. Eiser wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot.

Uitkomst: Vordering tot afbraak bouwwerk en herstel muur afgewezen wegens zicht op legalisering en onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202601546
Vonnis in kort geding van 8 juni 2026
in de zaak van
[Eiser]
,wonende op [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. L.F. Delfgauw,
tegen

1.[Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2]
,
beiden wonende op [woonplaats],
gedaagden.
Partijen worden hierna “[eiser]” en “[gedaagden]” genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 7 mei 2026 en de producties 1 t/m 13,
  • de akte aanvulling eis van 21 mei 2026,
  • de pleitnotitie van mr. Delfgaauw,
  • de spreekaantekeningen van [gedaagden] en de ter zitting bekeken foto’s,
  • de mondelinge behandeling van 25 mei 2026.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
eiser] en [gedaagden] zijn buren.
2.2.
Op het perceel van [gedaagden] is een (gedeeltelijk) bouwwerk opgericht.
2.3.
Op 22 november 2025 verstuurt [eiser] aan [gedaagden] een e-mail waarin hij bezwaar maakt tegen de bouw. In de brief staat:
“Goedemiddag,
Ik ben weer terug op Curacao en ben bijzonder onaangenaam verrast. Jullie hadden gezegd een klein appartement te bouwen waarvan ik mag verwachten dat dit conform de bouwvoorschriften gebeurd. De afstand van het bouwwerk tov de erfgrens dient een aantal meters te zijn. Het huidige bouwwerk staat echter op 60 resp 120 cm vanaf onze erfgrens. Waar nog een verdieping bovenop komt. Hiermee ben ik niet akkoord. Ik adviseer jullie om het werk te stoppen om niet onnodig meer kosten te maken aangezien ik eea neergelegd heb bij “handhaving” en indien verkeerd ik afbraak eis.
Begrijp ook niet dat jullie dit zonder overleg doen, daarbij wordt de scheidingsmuur nu gebruikt voor bouwondersteuning en is op diverse plaatsen door spijkers al beschadigd.
Denk dat het goed is dat jullie weten van mijn bezwaar voordat jullie beton gaan storten. Nu is eventuele afbraak nog simpel. (….)”
2.4.
Op 26 november 2025, 30 november 2025, 8 december 2025, 29 januari 2026 en 7 april 2026 verstuurt [eiser] diverse e-mails aan [gedaagden] waarin hij onder meer schrijft dat hij bezwaar heeft gemaakt bij de afdeling Ruimtelijke Ordening en Planning van het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: ROP) en [gedaagden] verzoekt om niet verder te gaan met de bouw totdat het ROP met een uitspraak komt. [gedaagden] reageert niet op deze brieven.
2.5.
Op 30 november 2025 schrijft [gedaagden] een brief aan het ROP en daarin staat:
“Beste heer [belanghebbende 1],
Door een misbegrip van de gegevens op de goedgekeurde bouwtekening en van de voorwaarden die in de bouwvergunning brief staan, is het gebouw reeds over de rioolijn uitgezet en gebouwd. Uw medewerkers hebben daarom de bouw stop gezet. Hiervoor willen we onze gemeende excuses aanbieden en wensen graag de mogelijkheid tot dispensatie voor het afwijken van de rioolijn. Graag vernemen wij van u de evt. procedure voor deze aanvraag. “
2.6.
Op 21 mei 2026 schijft het ROP een brief aan [gedaagden] en daarin staat:
“(….)
Op de situatietekening die onderdeel uitmaakt van deze bouwvergunning zijn een voorgevelrooilijn van 5 meter en een zijgevelrooilijn van 2 meter aangegeven, waarbinnen gebouwd diende te worden. Bij controle is echter gebleken dat voor beide rooilijnen een afstand van ongeveer 1,20 meter is aangehouden. Hierdoor is in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd.
Artikel 12 van Pro de Bouw- en Woningverordening (BWV) stelt uitsluitend eisen aan gevels van een woning dien niet aan de weg zijn gelegen. Daarbij geldt dat de afstand tussen de zij- of achtergevels en aangrenzende gebouwen ten minste gelijk moet zijn aan de helft van de hoogte van de aangrenzende gevel, met een minimum van 2,5 meter.
Voor gevelzijden die aan de weg zijn gelegen, geldt deze eis niet, conform artikel 13, onder a, van de BWV.
(….)
De afstand tussen de zijgevel en de aangrenzende woning aan [adres 1] bedraagt circa 4,60 meter. Deze afstand is groter dan de helft van de bouwhoogte van 7 meter, waardoor wordt voldaan aan artikel 12 van Pro de BWV. Om die reden kan eveneens worden ingestemd met een kortere afstand dan 2 meter tot de erfgrens. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het bouwplan aan die zijde geen muuropeningen bevat, zodat geen sprake is van inkijk.
Op basis van het voorgaande bestaat zicht op legalisatie van het reeds gerealiseerde bouwwerk.
Artikel 29, eerste lid, onder b, van de BWV geeft de Minister de bevoegdheid een verleende bouwvergunning in te trekken indien bij de uitvoering van het werk wordt afgeweken van de voorschriften die krachtens deze verordening zijn gesteld.
Dit artikel luidt als volgt:
Het bestuurscollege is bevoegd een verleende bouwvergunning bij een met redenen omklede beslissing in te trekken, indien:
binnen een jaar na de dag waarop de bouwvergunning is verleend met het werk nog geen begin is gemaakt, of wanneer het werk gedurende een jaar is gestaakt;
ij het verrichten van het werk waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt afgeweken van de voorschriften, gesteld krachtens deze verordening.
De Minister kan vervolgens een nieuwe bouwvergunning verlenen, waarbij een aangepaste voorgevelrooilijn en een aangepaste afstand van de zijgevel tot de erfgrens worden vastgesteld.”

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1. [
eiser] vordert - samengevat en na wijziging van eis- dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [gedaagden] door de voorgenomen en reeds aangevangen bouwwerkzaamheden in strijd met wet- en regelgeving onrechtmatig jegens hem handelt;
2. [ gedaagden] veroordeelt tot afbraak van het gerealiseerde bouwwerk;
3. [ gedaagden] verbiedt verdere bouwwerkzaamheden in strijd met wet- en regelgeving uit te voeren;
4. [ gedaagden] veroordeelt om binnen een maand na deze uitspraak de mandelige muur terug te brengen in de originele staat;
ten aanzien van 2, 3, en 4: op straffe van verbeurte van een dwangsom;
5. [ gedaagden] veroordeelt om binnen een maand na deze uitspraak scheuren en beschadigingen die als gevolg van de bouwwerkzaamheden zijn ontstaan aan de mandelige muren te herstellen;
6. [ gedaagden] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Aan de vorderingen legt [eiser] onrechtmatige daad ten grondslag, bestaande uit het door [gedaagden] in strijd met bouwregelgeving te dicht bij de perceelsgrens bouwen en het afbreken en beschadigen van een mandelige muur. Het gaat er [eiser] in het bijzonder om, dat het bouwwerk niet voldoet aan het bepaalde in artikel 12 van Pro de Bouw- en Woningverordening (BWV), omdat het direct op, althans op een te korte afstand van, de erfgrens is gerealiseerd.
3.3. [
gedaagden] voert gemotiveerd verweer, strekkende tot afwijzing van de vorderingen. ROP heeft al in november 2025 de bouwwerkzaamheden stil gelegd, na de constatering dat werd gebouwd in afwijking van de op de bouwvergunning weergegeven rooilijnen. Sindsdien hebben geen verdere bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, in afwachting van een reactie van het ROP op het verzoek van [gedaagden] van 30 november 2025 (zie 2.5.). Die reactie is vervolgens pas op 21 mei 2026 ontvangen (zie 2.6.). Daarin staat dat de eerder verleende bouwvergunning kan worden ingetrokken en dat vervolgens een nieuwe bouwvergunning kan worden verleend. Daarbij is ook te kennen gegeven dat zicht bestaat op legalisatie van het bouwwerk, aldus [gedaagden].

4.De beoordeling

Kort geding
4.1.
In een kortgedingprocedure is de rechter bevoegd om een voorlopige maatregel te treffen, als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft (artikel 226 Rv Pro). De rechter geeft in een kort geding dus alleen een voorlopig oordeel over de zaak. Een eis in kort geding kan voorts worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eiser heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Verklaring voor recht
4.2. [
eiser] eist een verklaring voor recht. Dat is niet mogelijk in een kort geding. Dat is namelijk geen voorlopige maatregel, maar een oordeel met een definitief karakter. De geëiste verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
Afbraak en verbod voortzetting bouwwerkzaamheden
4.3.
Ten aanzien van het gevorderde verbod de bouwwerkzaamheden te hervatten, overweegt het gerecht als volgt. [gedaagden] heeft onweersproken gesteld dat in november 2025 de bouwwerkzaamheden van overheidswege zijn stilgelegd en dat sindsdien geen verdere bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. [gedaagden] heeft bovendien ter zitting verklaard dat de werkzaamheden niet zullen worden hervat zolang geen nieuwe bouwvergunning is verleend. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en welk (spoedeisend) belang hij heeft bij de vordering in zoverre. Gelet hierop wordt de vordering afgewezen.
4.4.
Ook de gevorderde afbraak van het bouwwerk zal het gerecht afwijzen als een te ingrijpende en onomkeerbare maatregel. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat een traject tot legalisering van het bouwwerk in gang is gezet, waarbij van de zijde van ROP te kennen is gegeven dat zicht op legalisering van het reeds gebouwde bouwwerk bestaat.
Herstel muur en scheuren
4.5.
Ten aanzien van de scheidingsmuur tussen de percelen, stelt [eiser] dat deze zich volledig op zijn perceel bevindt en [gedaagden] inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht en daarmee onrechtmatig handelt, doordat [gedaagden] zonder overleg een gedeelte van de muur naast de afrit van het huis van [gedaagden] heeft gesloopt en het hekwerk heeft losgemaakt. Daarnaast heeft [gedaagden] steunbalken tegen de muren geplaatst, met name aan de zij- en achterzijde van het bouwwerk, waardoor schade aan de muren is ontstaan. Sinds de aanvang van de bouwwerkzaamheden vertoont de zijmuur scheuren en andere beschadigingen, aldus [eiser].
[gedaagden] betwist dat de scheidingsmuur zich op het perceel van [eiser] bevindt. Het afgebroken gedeelte van de scheidingsmuur staat volgens de metingen van het Kadaster op het perceel van [gedaagden], zo heeft [gedaagden] ter zitting onder verwijzing naar een overgelegde foto gesteld. Wat betreft de door [eiser] gestelde scheuren en barsten in de muur, stelt [gedaagden], onder verwijzing naar overgelegde foto’s, dat deze al aanwezig waren voordat met de bouwwerkzaamheden werd begonnen.
Tussen partijen is daarmee in geschil de vraag op wiens perceel de muur is gelegen, wie daarvan eigenaar is en of de gestelde schade door de bouwwerkzaamheden is veroorzaakt. De gemotiveerde betwisting door [gedaagden] van de stellingen van [eiser] zou in een bodemprocedure leiden tot een bewijsopdracht, maar voor bewijslevering is in kort geding echter geen plaats. Ook deze vorderingen worden daarom afgewezen.
4.7. [
eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt. Nu [gedaagden] in persoon heeft geprocedeerd, worden de kosten aan die zijde begroot op nihil.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden], die tot deze uitspraak worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.