ECLI:NL:OGEAC:2026:87

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
CUR202601007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:21 BWArt. 2:27 lid 1 BWArt. 2:31 sub 7 BWArt. 35 lid 1 sub d BWArt. 429b lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot nietigverklaring van abusievelijk ontbindingsbesluit aandeelhoudersvergadering

Op 19 februari 2026 is op de aandeelhoudersvergadering van verzoekster besloten tot ontbinding, welke ontbinding direct is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verzoekster stelt dat dit besluit op een vergissing berustte en dat bedoeld was een andere, aan haar gelieerde vennootschap te ontbinden. Zij voert aan dat zij nog wel degelijk activiteiten en baten heeft.

Verzoekster verzoekt het ontbindingsbesluit nietig te verklaren of te vernietigen. Het gerecht stelt echter vast dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het herroepen van een ontbindingsbesluit, zoals bevestigd in eerdere uitspraken van hetzelfde gerecht en het hof. Ook is niet gebleken dat de vereffening is geëindigd.

Het gerecht geeft verzoekster de gelegenheid om zich uit te laten over de mogelijkheid zelf het ontbindingsbesluit terug te draaien, de wettelijke basis van haar verzoek en de mogelijke impact van een lopende cassatieprocedure in belang der wet. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 3 november 2026.

Uitkomst: Verzoek tot nietigverklaring ontbindingsbesluit wordt aangehouden voor nadere toelichting en beoordeling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202601007
Beschikking van 7 juli 2026 inzake
DUSRON FINANCE HOLDING B.V.,
verzoekster,
gemachtigde: mr. H.W. Braam.

1.Het verzoek en de beoordeling

1.1.
Op een op 19 februari 2026 gehouden aandeelhoudersvergadering is besloten verzoekster te ontbinden. De ontbinding van verzoekster en de opheffing van haar onderneming zijn op diezelfde datum ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister heeft de vereffenaar op 2 maart 2026 verklaard dat geen baten aanwezig zijn. Uit het verzoekschrift blijkt niet of die vaststelling is bekendgemaakt als bedoeld in art. 2:31 sub Pro 7 BW. Evenmin kan daarom worden vastgesteld dat de vereffening is geëindigd en verzoekster is opgehouden te bestaan.
1.2.
Bij verzoekschrift van 26 mei 2026 heeft verzoekster verzocht het op de aandeelhoudersvergadering genomen besluit tot haar ontbinding nietig te verklaren dan wel te vernietigen.
1.3.
Verzoekster legt aan haar verzoek ten grondslag dat het ontbindingsbesluit op een vergissing berust. Bedoeld was een andere, aan haar gelieerde, lege vennootschap te ontbinden. Verzoekster heeft wel degelijk activiteiten en baten: zij is enig aandeelhouder van Dusron Contractors & Equipment B.V., een bedrijf met voor miljoenen aan bedrijfsmiddelen.
1.4.
Art. 429b lid 1 Rv bepaalt dat een beschikking wordt gegeven in de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Een wettelijke basis voor het onderhavige verzoek lijkt te ontbreken. Deze is niet te vinden in de door verzoekster in de kop van haar verzoekschrift genoemde artikelen 2:27 lid 1 BW en 35 lid 1 sub d BW. Een grond voor nietigheid of vernietiging als bedoeld in art. 2:21 BW Pro doet zich niet voor.
1.5.
Het gerecht verwijst in dit verband ook naar de uitspraken van dit gerecht in de zaken met nummers CUR202500118 (
Inter Global Bank, ECLI:NL:OGEAC:2025:130) en
MF Foundation,ECLI:NL:OGEAC:2025:131, bevestigd door het Hof, ECLI:NL:OGHACMB:2025:308) waarin werd geoordeeld dat er geen wettelijke basis is voor herroeping van een ontbindingsbesluit. In die laatste zaak overweegt de procureur-generaal bij de Hoge Raad een vordering tot cassatie in belang der wet. [1]
1.6.
Verzoekster zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vragen:
i) of het voor verzoekster, mede gelet op de laatste twee zinnen onder 1.1, niet een mogelijkheid is om het ontbindingsbesluit zelf terug te draaien;
ii) wat, gelet op 1.4 en 1.5, de wettelijke basis is voor haar verzoek;
iii) of de procedure tot cassatie in belang der wet, als die wordt doorgezet, nieuw licht op de zaak werpt.

2.De beslissing

Het gerecht:
- verwijst de zaak naar de (familie)rolzitting van 3 november 2026, 8.30 uur, voor het nemen van een akte uitlating door verzoekster;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Zie