ECLI:NL:OGEAC:2026:5

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
555.00085/25 en 555.00216/25
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van poging tot moord en bewezenverklaring van vuurwapenbezit in Curaçao

In deze strafzaak, behandeld door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, is de verdachte vrijgesproken van de poging tot moord op [benadeelde partij] en medeplichtigheid daaraan, onder parketnummer 555.00085/25. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de verdachte schuldig te verklaren. Hoewel vaststaat dat de verdachte de huurder was van de vluchtauto, kon niet worden vastgesteld dat hij deze op het moment van het schietincident bestuurde of dat hij op de hoogte was van de criminele intenties. De rechtbank concludeerde dat er geen bewijs was dat de verdachte en de medeverdachte elkaar kenden of contact hadden gehad, en dat de getuigenverklaringen en camerabeelden niet voldoende waren om de verdachte op de plaats delict te plaatsen.

Wel werd de verdachte schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, onder parketnummer 555.00216/25. De rechtbank oordeelde dat de verdachte feitelijk beschikkingsmacht had over een nikkelkleurig vuurwapen, dat op zijn telefoon was aangetroffen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte was vrijgesproken van de feiten die de schade zouden hebben veroorzaakt.

Uitspraak

Parketnummers: 555.00085/25 en 555.00216/25

Uitspraak: 12 januari 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboortedatum],
wonende in [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2025, 19 september 2025, 1 oktober 2025, 5 december 2025 en 12 januari 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.P. Perigault Monte, advocaat in Curaçao. Op 1 oktober 2025 is de verdachte, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
De benadeelde partij [benadeelde partij], bijgestaan door mevrouw E.Z. Snijders van de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg, heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. F.E. van der Zee heeft ter terechtzitting gevorderd, dat het Gerecht het onder parketnummer 555.00085/25 impliciet primair (poging moord) en onder parketnummer 555.00216/25 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het maximale bedrag van Cg 50.000 en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten onder beide parketnummers. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw verweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
Onder parketnummer 555.00085/25:

Primair

dat hij op of omstreeks 5 april 2025, althans in of omstreeks de maand april 2025 te
Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet- met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, een of meerdere schoten in de richting van die [benadeelde partij] heeft afgelost, waardoor die [benadeelde partij] in zijn nek en/of schouder en/of thorax, althans het lichaam werd geraakt, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

dat [medeverdachte]nop of omstreeks 5 april 2025, althans in of omstreeks de maand april 2025 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet- met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, een of meerdere schoten in de richting van die [benadeelde partij] heeft afgelost, waardoor die [benadeelde partij] in zijn nek en/of schouder en of thorax, althans het lichaam werd geraakt, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
heeft verschaft, door,
  • de vluchtauto te huren en/of deze ter beschikking stellen en/ of,
  • die medeverdachte [medeverdachte] naar de plaats des misdrijfs te brengen en/of,
  • op de uitkijk te gaan staan en/of te blijven staan en/of, vervolgens de dader [medeverdachte] van de plaats delict weg te voeren.
Onder parketnummer 555.00216/25:
dat hij in of omstreeks de periode van 7 april 2025 tot en met 23 april 2025, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een (nikkelkleurig) [vuurwapen](van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .38 speciaal met serienummer [nummer]), en of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten vijf (5) scherpe patronen (van het kaliber .38 speciaal met bodemstempel “[stempel]”) voorhanden heeft gehad.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het ten laste gelegde onder parketnummer 555.00085/25:
Het Gerecht is, in tegenstelling tot de officier van justitie, van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder parketnummer 555.00085/25, te weten medeplegen poging tot moord c.q. doodslag dan wel medeplichtigheid daaraan.
Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid.

Feiten

Op 5 april 2025 om 19.38 uur heeft een schietpartij plaatsgevonden bij de bandenwinkel [bedrijf] in Curaçao. Het slachtoffer, [benadeelde partij], geboren op [geboortedatum] 1987, stond in de deuropening van de [bedrijf] toen de schutter, een gemaskerde persoon, op hem afrende met een vuurwapen in zijn hand. De schutter schoot van zeer korte afstand gericht tweemaal in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer liep achteruit, zakte in elkaar en viel op de grond, waarna nog een schot in zijn richting werd gelost. Na het neerschieten vluchtte de schutter en stapte in een witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer], waarna de [automerk] wegreed.
Het slachtoffer liep bij dat schietincident schotwonden op in de nek en linkerborst. Door deze verwondingen heeft de heer [benadeelde partij] een dwarslaesie opgelopen en blijvende gevoels- en bewegingsstoornissen.

De vluchtauto

Uit het onderzoek naar de camerabeelden uit de omgeving van de [bedrijf] blijkt dat een witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer] op 5 april 2025 vanaf 19:18 uur op de Gosieweg in de buurt van de [bedrijf] rondrijdt en stilstaat op de parkeerplaats van de Botica Novo, schuin tegenover de [bedrijf]. De auto rijdt vervolgens naar de Mon Reposweg, waar de [bedrijf] is gevestigd, en parkeert even verderop van de [bedrijf]. Om 19:38 uur wordt het rechterportier van de [automerk/model] geopend en stapt een persoon uit de auto. Deze persoon rent naar [bedrijf], komt even later weer terugrennen en stapt weer in aan de rechterzijde van de [automerk/model]. Hierna rijdt de auto weg. Gedurende het stilstaan hebben de remlichten gebrand, wat erop duidt dat een bestuurder in de auto aanwezig was.
Uit het dossier volgt dat de persoon die uit de [automerk/model] is gestapt degene is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten. [medeverdachte] wordt ervan verdacht deze persoon te zijn geweest. De officier van justitie verdenkt verdachte [verdachte] ervan dat hij als bestuurder van de witte [automerk/model] was.
De [automerk/model] is geregistreerd op naam van [betrokkene 1]. De heer [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 29 maart 2025 een [automerk 2] heeft verhuurd aan [verdachte], de verdachte. Op 5 april 2025 heeft [verdachte] de [automerk 2] omgewisseld voor de witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer], omdat de [automerk 2] een onderhoudsbeurt nodig had. De politie heeft de heer [betrokkene 1] niet gevraagd hoe laat de verdachte de auto heeft omgewisseld; de heer [betrokkene 1] heeft dit ook niet eigenhandig verklaard. [verdachte] heeft de [automerk/model] tot 7 april 2025 gehuurd.
Verdachte heeft in zijn verklaringen bevestigd dat hij de witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer] heeft gehuurd. Hij heeft naar eigen zeggen deze auto op 5 april 2025 opgehaald bij de verhuurder. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto voor zijn vriendin had gehuurd zodat zij boodschappen kon doen.
Verklaring verdachte
De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij het schietincident. De verdachte heeft verklaard dat hij op 5 april 2025 tussen 18.00 uur en 20.00 uur thuis was in [adres] samen met zijn vriendin. Ergens begin van de avond heeft hij de huurauto omgewisseld en de [automerk/model] opgehaald. Hij heeft de auto uitgeleend aan een vriend, genaamd [betrokkene 2]. Hij weet niet meer hoe laat dat was. Nadat hij de huurauto had omgewisseld, is hij deze [betrokkene 2] bij een Chinese minimarket tegengekomen. Even later is [betrokkene 2] bij hem thuis gekomen. [betrokkene 2] heeft gevraagd om de auto te mogen lenen, waarmee de verdachte heeft ingestemd. [betrokkene 2] is vervolgens met de [automerk/model] weggegaan.
Gevraagd naar verdere informatie door de politie en ter terechtzitting over deze [betrokkene 2] kan de verdachte niet veel vertellen. Hij kent [betrokkene 2] sinds een jaar of 4. Voor 5 april 2025 had hij hem 2 à 3 jaar niet gezien. Na 5 april 2025 heeft hij hem niet meer gezien. [betrokkene 2] is ongeveer 45 minuten bij hem thuis geweest op 5 april 2025. Het was na 19.00 uur dat [betrokkene 2] met de [automerk/model] vertrok. Verdachte kent geen volledige naam van [betrokkene 2]. Evenmin herinnert de verdachte zich de precieze locatie en het tijdstip van hun ontmoeting. Ook beschikt verdachte niet over (volledige) contactgegevens omdat deze in een oude, defecte telefoon stonden die hij inmiddels heeft weggegooid.
Ondanks herhaalde inspanningen van de politie en het openbaar ministerie is het niet gelukt om vast te stellen wie [betrokkene 2] is. Een plaatsaanwijzing van diens woning heeft niets opgeleverd en de verdachte heeft niet meegewerkt aan een plaatsaanwijzing van de minimarket waar de ontmoeting zou hebben plaatsgevonden.
Verklaring getuige [getuige 1]
De vriendin van de verdachte, getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte heel kort – ongeveer vijf minuten – weg is geweest om de huurauto te wisselen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte langer is weggeweest. Hij heeft de auto ergens bij de school MIL in Otrobanda opgehaald, wat voor hem ten minste 15 minuten rijden is. Mevrouw [getuige 1] heeft verder verklaard dat [verdachte] en zij thuis waren tussen 19.00 uur en 19.45 uur. [verdachte] was op enig moment de slaapkamer binnengekomen en had om de autosleutel gevraagd. Hij zei dat iemand de auto wilde lenen. Zij weet niet aan wie en heeft niemand gezien. Om 21.15 uur diezelfde avond kwam de vriend de auto terugbrengen. Zij heeft de vriend ook toen niet gezien.
Overige aanwijzingen voor mogelijke betrokkenheid?
Medeverdachte [medeverdacht], bijgenaamd [medeverdachte] uit [wijk], wordt ervan verdacht de schutter te zijn geweest en derhalve op 5 april 2025 ’s avonds in de [automerk/model] te hebben gezeten. Verdachte ontkent [medeverdachte] of [medeverdachte] uit [wijk] te kennen. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] elkaar kennen. Weliswaar blijkt uit netwerkmetingen dat het telefoonnummer van de verdachte in de middag van 5 april 2025 op twee momenten in de woonwijk [wijk], de woonwijk van de medeverdachte [medeverdachte], is aangestraald, terwijl de verdachte verklaart daar twee maanden niet te zijn geweest. Dat wil echter niet zeggen dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar kennen en/of contact met elkaar hebben gehad.
Het imei-nummer van de telefoon van de verdachte was om 17:31 uur en 20:07 uur binnen bereik van de mast bij zijn woongebied. Daartussen is geen dataverkeer over de masten gekomen. Dat kan betekenen dat de verdachte zijn telefoon niet heeft gebruikt, of dat verdachte zijn telefoon heeft uitgezet. Daardoor kan niet worden vastgesteld waar de telefoon van de verdachte zich tussen de voornoemde tijdstippen bevond. Verdachte kan noch thuis, noch op de plaats delict worden geplaatst aan de hand van telefoongegevens.
Drie medegedetineerden van de verdachte hebben als getuige verklaringen afgelegd over uitspraken die de verdachte zou hebben gedaan tijdens zijn detentie in [wijk]. Getuige [getuige 2] verklaart dat de verdachte hem heeft verteld dat hij een gehuurde auto heeft uitgeleend aan een vriend die iemand op de Gosieweg ging neerschieten. Verdachte heeft geen naam genoemd. Getuige [getuige 3] verklaart dat hij een gesprek hoorde tussen twee mannen die bij elkaar op de cel zaten. Hij hoorde dat de ene man aan de andere man vroeg of hij wist wie het had gedaan. De andere man zei dat hij dat wist want hij gaat geen auto verhuren om aan een onbekende te lenen. Hij hoorde hem ook zeggen dat hij niet van plan was de naam te noemen en dat hij zelf de straf zal aanvaarden. De twee mannen die [getuige 3] heeft horen praten blijken op grond van de verklaring van [getuige 4], verdachte [verdachte] en [getuige 4] te zijn geweest. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij op de cel zat met verdachte [verdachte] in [wijk]. Verdachte had hem verteld dat hij een auto had gehuurd en die aan iemand had uitgeleend. Twee maanden later hoorde de verdachte dat die persoon iets met de auto had gedaan. Verdachte had niet gezegd dat hij niet de naam wilde noemen van die vriend aan de politie.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdachte geen concrete informatie heeft verstrekt over [betrokkene 2], waardoor onduidelijk blijft wie de auto daadwerkelijk gebruikte. Daarnaast wijst de officier van justitie erop dat de netwerkmetingen aantonen dat de verdachte op de dag van het schietincident op twee momenten in [wijk] was, terwijl hij verklaart daar niet te zijn geweest. Volgens de officier van justitie betreft dit een kennelijk leugenachtige verklaring, die de betrouwbaarheid van de overige verklaringen van de verdachte over het gebruik van de [automerk/model] en zijn contacten met derden beïnvloedt. De verklaring van verdachtes vriendin kan niet ontlastend voor verdachte werken, nu haar verklaring dat verdachte slechts vijf minuten weg is geweest feitelijk al niet kan kloppen.

Beoordeling

Vast staat dat verdachte op 5 april 2025 de huurder was van de [automerk/model] die bij het schietincident is gebruikt. De vraag is of verdachte ofwel de bestuurder is geweest van de [automerk/model] in de avond van 5 april 2025 ofwel de [automerk/model] heeft uitgeleend wetende dat daarmee een misdrijf zou worden gepleegd.
Ten aanzien van de eerste vraag, en daarmee de vraag of het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard, overweegt het Gerecht als volgt.
Op grond van de verklaringen van de verdachte en de beschikbare gegevens in het dossier kan niet worden vastgesteld wie de auto ten tijde van het schietincident heeft bestuurd. De verdachte kan op basis van het dossier niet worden geplaatst op de plaats delict. Dit blijkt niet uit onderzoek naar telefoongegevens, niet uit getuigenverklaringen en niet uit camerabeelden. De verklaring van de verdachte dat hij de auto heeft uitgeleend aan [betrokkene 2] roept zeker vragen op. Zijn verklaring wordt door niets of niemand afdoende bevestigd en hij kan of wil erg weinig informatie over deze [betrokkene 2] of hun ontmoetingsplaats geven. Deze vraagtekens en onduidelijkheden betekenen echter nog niet dat dat leidt tot wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de bestuurder van de [automerk/model] was in de avond van 5 april 2025. Het Gerecht is van oordeel dat geen sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring, die voor het bewijs kan worden gebruikt, nu zijn verklaring niet wordt weersproken door vaststaande feiten en evenmin leidt tot een concrete aanwijzing voor verdachtes betrokkenheid. Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de vluchtauto heeft bestuurd.
Een ander scenario is dat de verdachte de auto zou hebben uitgeleend aan de schutter en/of anderen teneinde de heer [benadeelde partij] om het leven te brengen. Voor zover de verklaring van de verdachte klopt, namelijk dat hij de auto heeft uitgeleend, moet het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet, in dit geval opzet op het neerschieten van het slachtoffer en opzet in het daaraan behulpzaam zijn door de auto te huren en uit te lenen, worden bewezen.
Verdachte ontkent te hebben geweten waarvoor de huurauto zou worden gebruikt. Het Gerecht is van oordeel dat het tegendeel van zijn verklaring niet is komen vast te staan. De verklaringen van de medegedetineerden kunnen daartoe niet dienen nu die onderling niet overeenkomen en [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte twee maanden later hoorde wat er met de auto is gebeurd. Ook die verklaring lijkt niet te kloppen aangezien verdachte op 24 april 2025 in verzekering is gesteld en derhalve 19 dagen na de schietpartij van de politie heeft vernomen waarvoor de [automerk/model] is gebruikt. Maar hoe dan ook, leveren de verklaringen van de medegedetineerden geen bewijs voor medeplichtigheid op.
Tot slot overweegt het Gerecht nog dat uit het dossier geen enkel aanknopingspunt volgt voor een motief aan de zijde van de verdachte. Het slachtoffer kent de verdachte niet en bewijs in het dossier dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elkaar kennen is er evenmin. De ontkenning van de verdachte kan gelet op het voorgaande niet worden weersproken.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert het Gerecht dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het hem primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Dit leidt derhalve tot vrijspraak van het onder het parketnummer 555.00085/25 ten laste gelegde.

Parketnummer 555.00216/25:

Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 555.00216/25 heeft begaan, met dien verstande:
dat hij op 22 april 2025, in Curaçao, een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een nikkelkleurig [vuurwapen] van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .38 speciaal met serienummer [nummer], voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. [1]
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1.
Een proces-verbaal van in beslag genomen vuurwapen en munitie d.d. 4 september 2025, opgenomen op pagina 243-245 van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]), voor zover inhoudende:

“Op 23 april 2025 werd een [vuurwapen] in beslag genomen (…) De in beslag genomen [vuurwapen](…) is van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .38 special en voorzien van het serienummer [nummer]. (…).

Conclusie

De voor onderzoek aangeboden [vuurwapen] is een vuurwapen in de zin van de vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;

De [vuurwapen] van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .38 special, voorzien van het serienummer [nummer], is deugdelijk.”
2.
Een proces-verbaal van bevinding uitlezing mobiele telefoon verdachte [verdachte] d.d. 10 september 2025, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3]), voor zover inhoudende:
“Ik zag een afbeelding van datum 22 april 2025 waarop een op een nikkelkleurig vuurwapen gelijkend voorwerp ([vuurwapen]) zichtbaar was.
Path: Media/Intemal storage/Pictures/.thumbnails/1000003744.jpg
Created: 4/22/2025 2:22:51 PM.”
3.
Een proces-verbaal van identificatie vuurwapen d.d. 3 september 2025 opgenomen op pagina 247 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]), voor zover inhoudende:
“Conclusie:
Op basis van een gedetailleerde vergelijking van de fysieke kenmerken, markeringen en slijtage, kan met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat de [vuurwapen] op de foto, afkomstig van de mobiele telefoon, dezelfde is ais de [vuurwapen] die op 23 april 2025 in beslag werd genomen te [adres](…).
Er zijn geen significante afwijkingen geconstateerd tussen de twee wapens, wat erop wijst dat beide wapens inderdaad identiek zijn. De [vuurwapen] op de foto en de inbeslaggenomen [vuurwapenmerk/model], serienummer [nummer], zijn vrijwel zeker dezelfde.”
4.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Een vriend van mij kwam met die [vuurwapen] bij mij thuis. Ik heb de [vuurwapen] vastgehouden en er met mijn telefoon een foto van gemaakt.”
Bewijsmotivering
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde vuurwapen en de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.
Het verweer van de verdediging dat een foto op zichzelf geen bewijs van vuurwapenbezit oplevert en in dit geval enkel door verdachte is gemaakt om stoer te doen, wordt verworpen. Doorslaggevend is of de verdachte daarover de feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad. Verdachte heeft verklaard de [vuurwapen] bij hem thuis te hebben gehad, in zijn handen te hebben gehad en er een foto van te hebben gemaakt. Hiermee is de beschikkingsmacht voldoende wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van de munitie geldt echter het volgende. Eerst bij de latere inbeslagname is gebleken dat zich in het vuurwapen vijf scherpe patronen bevonden. Er zijn geen aanknopingspunten dat de verdachte, op het moment dat hij de feitelijke beschikkingsmacht over het vuurwapen had, ook wetenschap had van de aanwezigheid van deze munitie. Verdachte zal daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leveren wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad, zoals ten laste gelegd.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden wordt voor vuurwapenbezit thuis, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan een deel voorwaardelijk genoemd.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de kleinschalige samenleving van Curaçao, waar vuurwapenbezit niet zelden tot schietincidenten leidt met ernstige afloop. Tegen dit bezit dient daarom streng te worden opgetreden.
Het Gerecht ziet geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. In de telefoon van verdachte zijn veel foto’s met vuurwapens aangetroffen, verdachte heeft een zeer laconieke houding hieronder, en de bewuste [vuurwapen] met daarin scherpe patronen is de volgende dag op straat aangetroffen, dus in het publieke domein, met de daaraan verbonden verhoogde risico’s voor de openbare orde en veiligheid.
De verdachte is, zo blijkt uit zijn strafkaart gedateerd 25 april 2025, niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en straffen opgelegd in vergelijkbare zaken niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De verdediging heeft de vordering betwist.
Nu het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen onder parketnummer 555.00085/25 waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen.
Het Gerecht zal bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
In beslag genomen voorwerpen
Het in beslag genomen [vuurwapen] en de munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het bewezen feit is met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikel 1:75 van het Wetboek van Strafrecht, en op artikel 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummer
555.00085/25ten laste is gelegd en
spreekt hem daarvan vrij;
verklaart
wettig en overtuigend bewezendat de verdachte het onder parketnummer
555.000216/25ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een [vuurwapen] van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber .38 special en voorzien van het serienummer [nummer] en vijf scherpe patronen van het kaliber .38 special, welken voorzien zijn van het bodemstempel “[stempel]”;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.J. van Rijssen, bijgestaan door mr. M.S. Dip, (zittingsgriffier), en op 12 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Lokaal ernstige criminaliteit) d.d. 28 november 2025 en 4 december 2025 (aanvullend procesdossier), met onderzoeksnaam “Tire” (aanvullend procesdossier).