ECLI:NL:OGEAC:2026:46

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
CUR202600387
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 1 RvArt. 438 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking onderhandse verkoop woning met doorhaling hypotheek en beslagen

Eiseres en gedaagden zijn familie en betrokken bij een geschil over een hypothecaire geldlening en bewaarnemingsovereenkomst. Eiseres is tekortgeschoten in haar verplichtingen en veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van Cg 474.025,84 aan gedaagden. Gedaagden legden executoriaal en conservatoir beslag op de woning van eiseres.

Eiseres heeft de woning te koop gezet en een bod van minimaal Cg 1,6 miljoen ontvangen. Zij vordert dat gedaagden meewerken aan de verkoop en levering van de woning, met doorhaling van hun hypotheek en beslagen, onder de voorwaarde dat het aan hen toegewezen bedrag wordt voldaan en het restant in escrow blijft totdat de schadestaatprocedure is afgerond.

Het gerecht oordeelt dat het executiegeschil spoedeisend is en dat de taxaties en biedingen de waarde van de woning aannemelijk maken. Gedaagden hebben geen belang bij handhaving van hypotheek en beslag indien passende vervangende zekerheid wordt geboden. De vordering van eiseres wordt toegewezen met een dwangsom bij niet-naleving en gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot medewerking aan onderhandse verkoop woning voor minimaal Cg 1,6 miljoen met doorhaling hypotheek en beslagen onder escrowregeling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202600387
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[EISERES],
wonend in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
[GEDAAGDE 1],
[GEDAAGDE 2],
beiden wonend in Curaçao,
gedaagden,
gemachtigden: mrs. C.A. Peterson en A. Faria.

1.1. Het procesverloop

1.1. [
eiseres] heeft op 9 februari 2026 een verzoekschrift ingediend.
1.2.
Het kort geding is behandeld op 19 maart 2026. Namens [eiseres] waren ter zitting aanwezig haar gemachtigde en haar partner […]. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren er ook, met hun gemachtigden. De gemachtigden hebben pleitnota’s voorgedragen en overgelegd en hebben verwezen naar op voorhand overgelegde producties.
1.3.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

In dit kort geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.
a. a) [eiseres] en [gedaagde 1] zijn zussen. [gedaagde 2] is de echtgenoot van [gedaagde 1].
b) Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van dit gerecht van 30 juni 2025 [1] is voor recht verklaard dat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit een door haar met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten hypothecaire geldleningsovereenkomst en een door haar met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten bewaarnemingsovereenkomst. Bij dat vonnis is [eiseres] veroordeeld aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen een hoofdsom van Cg 474.025,84. In dat bedrag is begrepen Cg 94.026 als voorschot op vergoeding van schade veroorzaakt door [eiseres]s tekortschieten in de bewaarnemingsovereenkomst. Voor de vaststelling van nadere schade werd de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Over de bewaarnemingsovereenkomst overwoog het gerecht als volgt:
4.16. [
gedaagde 1] heeft gouden munten en juwelen in bewaring gegeven aan [eiseres]. [gedaagde 1] heeft gesteld dat alle munten en juwelen samen met [eiseres] zijn gewogen en zijn beschreven. Dat is niet gemotiveerd door [eiseres] betwist. Zij heeft enkel naar voren gebracht dat zij opschreef wat haar zus (aan de andere kant van de tafel) doorgaf. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagde 1] daarbij bewust andere gewichten of andere aantallen zou hebben genoemd, zodat het gerecht uitgaat van die ‘beginstand’ wat betreft het goud.
4.17. [
eiseres] diende zorg te dragen voor het goud dat zij in bewaring had gekregen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft een deel van het goud verkocht aan een pandjeshuis en de opbrengst gebruikt voor een persoonlijk doel. Zij heeft daarover tot aan de zitting in november 2024 geen openheid gegeven aan [gedaagde 2] c.s. Ook nu is nog niet duidelijk waar de resterende munten en juwelen zijn.
4.18.
Het door [eiseres] ontvangen bedrag van de Goldmarket is gebaseerd op de waarde van het goud. Het is duidelijk dat de munten, naast de waarde van het gewicht in goud een eigen, numismatische waarde vertegenwoordigen. De door [gedaagde 2] c.s. geleden schade is dus hoger dan het (inkoop)bedrag dat [eiseres] heeft ontvangen.
4.19.
Het gerecht zal het door [eiseres] ontvangen bedrag in deze procedure toewijzen als voorschot. Voor het overige zal de zaak voor de verdere vaststelling van de schade worden verwezen naar de schadestaatprocedure.
c) Door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is een schadestaatprocedure tegen [eiseres] aanhangig gemaakt. Die procedure [2] bevindt zich nog in een beginstadium. In verband hiermee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een voorlopig getuigenverhoor [3] verzocht. Dat verhoor staat gepland op 23 april 2026.
d) Op 4 november 2025 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit kracht van het vonnis van 30 juni 2025 executoriaal beslag gelegd op de aan [eiseres] in eigendom toebehorende onroerende zaak [adres] te Damacor, Curaçao, hierna: ‘de woning’. Op diezelfde dag hebben zij ook conservatoir beslag op de woning laten leggen tot zekerheid van verhaal van hun vordering in de schadestaatprocedure. In het beslagverlof is die vordering begroot op afgerond Cg 1.6 miljoen.
e) Voorafgaand aan de tussen partijen gerezen geschillen, in 2020, is ten behoeve van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het recht van hypotheek gevestigd op de woning, ter verzekering van terugbetaling van alle schulden van [eiseres] aan [gedaagde 1], uit welken hoofde ook.
f) [eiseres] heeft de woning te koop gezet. Zij heeft een gegadigde die Cg 1.612.500 heeft geboden.
g) [eiseres] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan de gegadigde, met de afspraak dat uit de koopsom het bij het vonnis van 30 juni 2025 aan hen toegewezen bedrag zal worden voldaan en dat het restant in escrow onder de notaris zal blijven totdat in de schadestaatprocedure op de vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal zijn beslist.

3.De vordering

[Eiseres] vordert primair – samengevat – dat het gerecht [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een koopsom van minimaal Cg 1.6 miljoen en aan de doorhaling van de hypotheek en de beslagen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Cg 5.000 per dag. Subsidiair vordert zij – samengevat – de doorhaling van de hypotheek en de opheffing van de beslagen, mocht de woning voor minimaal die koopsom worden verkocht.

4.De beoordeling

Executiegeschil en spoedeisend belang
4.1. [
Gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de eerste plaats aangevoerd dat het voor een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang ontbreekt. Deze zaak is echter aan te merken als een executiegeschil in de zin van art. 438 lid 1 Rv Pro, dat ingevolge art. 438 lid 2 Rv Pro ook voor de rechter in kort geding kan worden gebracht.
4.2.
Afgezien daarvan geldt dat, nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de executie van de woning van [eiseres] in gang hebben gezet, [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij een voorziening die haar in staat stelt een zo hoog mogelijke opbrengst voor de woning bewerkstelligen en om uit de opbrengst het bij het vonnis van 30 juni 2025 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegewezen bedrag te kunnen voldoen, ook ter voorkoming van het verder oplopen van rente.
Het executoriaal beslag
4.3.
Het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegd executoriaal beslag dient ertoe de woning te gelde te maken en het aan hen bij vonnis van 30 juni 2025 toegewezen bedrag van in hoofdsom 474.025,84 te verhalen. Met de door [eiseres] voorgestelde onderhandse verkoop wordt hetzelfde bereikt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben er dan ook geen belang bij dat beslag in de weg te laten staan aan onderhandse verkoop.
De hypotheek en het conservatoir beslag
4.4.
Voor de hypotheek en het conservatoir beslag geldt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen belang hebben bij handhaving daarvan indien passende vervangende zekerheid wordt geboden.
4.5. [
eiseres] heeft de woning laten taxeren door Century 21#1 Real Estate. Blijkens het overgelegde taxatierapport uit september 2024 is de onderhandse verkoopwaarde van de woning toen getaxeerd op Cg 1.650.000 en de executiewaarde op Cg 1.237.000. In februari 2026 heeft dezelfde taxateur een nieuw rapport uitgebracht waarin tot dezelfde waardes wordt gekomen. Volgens [eiseres] zijn er elf bezichtigingen geweest en zijn er twee biedingen gedaan, één van Cg 1,6 miljoen en één van Cg 1.625.000. Zij verwijst daarbij naar een bericht van makelaar Palmstone Real Estate.
4.6.
Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat [eiseres] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft uitgenodigd zelf ook een taxateur in te schakelen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvan hebben afgezien omdat zij de kosten van een dergelijke taxatie niet voor hun rekening wilden nemen.
4.7.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan in redelijkheid aan de juistheid van de door [eiseres] overgelegde taxaties moet worden getwijfeld. Zo is niets gesteld over prijzen van vergelijkbare objecten en is niet gesteld welke opbrengst (hoger dan Cg 1,6 miljoen) volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] haalbaar zou zijn. Ook afgezet tegen de prijs van Cg 800.000 die [eiseres] in 2020 voor de woning heeft betaald, rekening houdend met de verbouwing nadien voor enkele tonnen, en afgezet tegen de tot voor kort voor de woning ontvangen huurprijs van Cg 6.500 per maand, komt een verkoopprijs van Cg 1.6 miljoen niet (te) laag voor.
4.8.
Bij deze stand van zaken is de door [eiseres] gestelde, met het rapport en met de uitgebrachte biedingen onderbouwde waarde van de woning aannemelijk en is enig bod dat zij wenst te aanvaarden van Cg 1.6 miljoen of hoger redelijk te achten. Dit laatste te meer nu een dergelijk bod substantieel hoger is dan de executiewaarde van de woning.
4.9. [
Eiseres] heeft voorgesteld dat uit de verkoopopbrengst haar schuld uit het vonnis van 30 juni 2025 zal worden voldaan. Het gerecht merkt daarbij op dat, anders dan [eiseres] stelt, er geen grond is om te oordelen dat zij niet langer de bij dat vonnis toegewezen rente verschuldigd is. Het aanbod tot betaling dat zij eerder deed aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werd gedaan onder de voorwaarde dat de hypotheek en de beslagen werden doorgehaald (e-mail van de notaris van 13 november 2025). Die voorwaarde, waarbij geen vervangende zekerheid werd gesteld voor de betwiste, (nog) niet toegewezen vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoefden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet te aanvaarden. Van schuldeisersverzuim was en is geen sprake.
4.10. [
Eiseres] heeft voorts voorgesteld dat het restant van de koopsom in escrow onder de notaris blijft, in afwachting van de uitkomst van de schadestaatprocedure: hetgeen in die procedure aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mocht worden toegewezen wordt aan hen uitgekeerd, hetgeen resteert gaat naar [eiseres]. Dat is een ook voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gunstig en zekerheid biedend voorstel. Méér valt er voor hen uit hun huidige zekerheid niet te halen.
Slotsom en kosten
4.11.
Op grond van het voorgaande geldt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] er geen rechtens te respecteren belang bij hebben vast te houden aan hun hypotheek, hun beslagen en de door hen in gang gezette executie indien tot een onderhandse verkoop kan worden gekomen als door [eiseres] voorgesteld. De daarbij te stellen voorwaarden aan de bestemming van de verkoopopbrengst bieden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoende vervangende zekerheid. De door [eiseres] in dit kort geding gevorderde voorziening zal, geclausuleerd als hierna omschreven, worden toegewezen.
4.12.
De overige stellingen van partijen kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven geen bespreking. Dit geldt in het bijzonder voor hun stellingen over de waarde van het aan [eiseres] in bewaring gegeven goud. Voor een oordeel daarover leent dit kort geding zich niet.
4.13. [
gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen een week na een daartoe strekkende uitnodiging van de notaris hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een koopsom van minimaal Cg 1.6 miljoen en aan de doorhaling van de hypotheek en de beslagen op de woning, zulks tegen betaling aan hen van al hetgeen aan hen uit hoofde van het vonnis van 30 juni 2025 toekomt en op de voorwaarde dat het restant van de koopsom door de notaris in escrow zal worden gehouden als hiervoor onder 4.10 bedoeld;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een dwangsom verbeuren van Cg 2.500 voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, tot een maximum van Cg 250.000;
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 808,96 aan oproepingskosten en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.CUR202304056
2.CUR202504838
3.CUR202404406