ECLI:NL:OGEAC:2025:75

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
CUR202501107
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 LAMArt. 228 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nader voorschot op letselschade wegens onvoldoende bewijs en causaal verband

Eiseres was op 19 juni 2024 betrokken bij een aanrijding waarvoor gedaagde aansprakelijkheid erkende. Eiseres vorderde in kort geding een aanvullend voorschot op letselschade en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Gedaagde betwistte de hoogte van de schade en het causaal verband met de huidige klachten van eiseres, onderbouwd door een medisch rapport dat een medische eindtoestand zonder blijvende beperkingen concludeerde. Eiseres kon onvoldoende bewijs leveren dat zij nog arbeidsongeschikt was door het ongeval en gaf aan nog bezig te zijn met het verzamelen van bewijs voor haar inkomstenverlies.

Het gerecht oordeelde dat de vordering niet voldoende vaststond om in kort geding toe te wijzen, mede gezien het risico dat eiseres het voorschot niet kan terugbetalen als zij in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld. De vordering werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het verzoek tot een nader voorschot op letselschade wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade en causaal verband.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202501107
Vonnis in kort geding van 28 mei 2025
in de zaak van
[EISERES],wonende in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. B.J. Rollings,
tegen
CG UNITED INSURANCE LTD,
gevestigd in Barbados,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Q.D.A. Carrega.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 2 april 2025,
  • de akte wijziging van eis van 21 mei 2025,
  • de mondelinge behandeling van 21 mei 2025,
  • de pleitnotities van de gemachtigden van partijen.
1.2.
Namens gedaagde is verzocht dit kort geding te verwijzen naar de gewone procedure. Omdat eiseres daarmee niet instemde en het verzoek dus niet eenparig was als bedoeld in art. 228 lid 2 Rv Pro, is dat verzoek afgewezen.
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 19 juni 2024 is eiseres te Saliña als automobilist betrokken geraakt bij een aanrijding met een andere auto. Die andere auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij gedaagde.
2.2.
Eiseres heeft zich na het ongeval onder behandeling doen stellen van onder meer fysiotherapeuten, een neuroloog, een psycholoog, een KNO-arts en een revalidatiearts.
2.3.
Gedaagde heeft jegens eiseres aansprakelijkheid erkend.

3.De vordering

3.1.
Bij haar verzoekschrift heeft eiseres gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling - in aanvulling op eerder door gedaagde gedane betalingen - van een voorschot onder algemene titel van Cg 7.500 en tot betaling van Cg 7.155,20 aan buitengerechtelijke kosten.
3.2.
Na vervolgens gevoerde onderhandelingen, heeft gedaagde een voorschot van Cg 5.000 aan eiseres betaald en Cg 3.500 terzake buitengerechtelijke kosten.
3.3.
Eiseres heeft haar vordering hierop bij akte verminderd. Ter zitting heeft eiseres haar vordering verder verminderd. Wat resteert is een vordering tot betaling van een voorschot van Cg 2.500 en betaling van een bedrag van Cg 1.225,20 aan buitengerechtelijke kosten.

4.De beoordeling

Maatstaf voor de toewijzing in kort geding
4.1.
De vordering van eiseres strekt tot voldoening van een geldsom. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
De vordering staat niet voldoende vast
4.2.
Niet in geschil is dat gedaagde op grond van art. 6 LAM Pro aansprakelijk is voor de door eiseres als gevolg van de aanrijding geleden schade. Gedaagde heeft aansprakelijkheid erkend.
4.3.
Gedaagde betwist echter de door eiseres gestelde schade en betwist dat zij nog enig bedrag aan eiseres verschuldigd is. Gedaagde wijst er daarbij op dat zij inmiddels circa Cg 19.000 aan eiseres heeft uitgekeerd ter zake verlies arbeidsvermogen, kosten huishoudelijke hulp en kosten van juridische bijstand.
4.4.
Eiseres baseert haar geldvordering op door de aanrijding veroorzaakte arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende inkomstenderving.
4.5.
Gedaagde heeft in de eerste plaats gemotiveerd betwist, met verwijzing naar een rapport van medisch adviseur dr. […] van 5 februari 2025, dat de huidige klachten van eiseres aan het ongeval kunnen worden gerelateerd. Dr. […] concludeert in dat rapport mede op basis van de uitslag van een MRI-scan en de bevindingen van de neuroloog en de KNO-arts dat een medische eindtoestand is bereikt met betrekking tot het ongeval van juni 2024 en dat er bij eiseres geen blijvende beperkingen zijn als gevolg van dat ongeval. Door eiseres is daar vooralsnog onvoldoende tegenover geplaatst. In dit kort geding kan bij de huidige stand van zaken niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat eiseres nog steeds arbeidsongeschikt is als gevolg van de aanrijding. Bovendien ligt het in de rede de medische (contra)expertise door dr. […] af te wachten, waartoe gedaagde inmiddels opdracht heeft gegeven.
4.6.
De door eiseres gestelde inkomensderving staat evenmin voldoende vast. Door gedaagde is aan eiseres voor de maanden na het ongeval tot en met februari 2025 steeds Cg 1.452 uitgekeerd terzake verlies van arbeidsvermogen. Eiseres stelt dat dit bedrag van Cg 1.452 per maand te laag is omdat zij in het verleden maandelijks gemiddeld Cg 600 verdiende als oproep-telefoniste en Cg 2.000 uit de verkoop van door haar gemaakte schilderijen. Een onderbouwing daarvan ontbreekt echter. Eiseres stelt zelf dat zij nog doende is bewijs van die inkomsten te vergaren.
4.7.
Vastgesteld moet worden dat de vordering van eiseres niet voldoet niet aan de maatstaf bedoeld onder 4.1. In dit kort geding kan niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat de door eiseres gevorderde bedragen in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen. Dat geldt ook voor het door eiseres gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten, nu de beoordeling van de redelijkheid daarvan samenhangt met onder meer het bestaan en de hoogte van (nadere) schade.
Slotsom en kosten
4.8.
De verminderde vordering zal worden afgewezen. Mede gelet op het feit dat gedaagde eerst na het aanhangig maken van dit kort geding is overgegaan tot de betalingen als bedoeld onder 3.2, bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
wijst af het gevorderde;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.