De zaak betreft een geschil over de afrekening na beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster, een werkster, en verweerder. Verweerder stelde dat hij maandelijks minimaal NAf 1.200 had betaald, terwijl verzoekster slechts NAf 900 erkende. Het gerecht oordeelde dat verweerder niet slaagde in zijn bewijslevering en veroordeelde hem tot betaling van NAf 6.600 aan achterstallig loon.
Daarnaast werd vastgesteld dat verzoekster recht heeft op vergoeding voor 25 vakantiedagen, berekend op basis van een door een SOAW-ambtenaar opgestelde eindafrekening, wat resulteerde in NAf 1.202,50. Ook werden bedragen voor opzegtermijn en cessantia toegewezen. De wettelijke verhoging op de loonvordering werd vastgesteld op 15%, gezien de omstandigheden van de zaak.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van in totaal NAf 8.660,20 vermeerderd met de wettelijke verhoging, alsmede de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.