Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
BALENTINA BLOKKENFABRIEK N.V.,
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
In deze civiele zaak tussen eiseres en Balentina Blokkenfabriek N.V. (BB) staat de vraag centraal of een vertragingsboete kan worden gematigd. Het gerecht verwijst naar een tussenvonnis waarin werd vastgesteld dat de opleveringsdatum niet op 5 maart 2021 lag, maar dat het aantal werkbare dagen tussen 12 april 2020 en 22 december 2020 moet worden vastgesteld. Eiseres en BB verschillen van mening over het aantal werkbare dagen, respectievelijk 176 en 148, en eiseres krijgt de gelegenheid zich hierover uit te laten.
BB heeft producties ingediend ter onderbouwing van haar verzoek tot matiging van de boete, waaronder een brief over achterstallige lonen en een verzoek om financiële steun. Eiseres betwist de relevantie hiervan. Het gerecht neemt deze producties mee in de beoordeling, maar stelt vast dat BB onvoldoende heeft aangetoond dat haar financiële situatie een matiging rechtvaardigt.
Op grond van artikel 6:94 lid 1 BW Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat matiging slechts mogelijk is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Het gerecht oordeelt dat de standaardovereenkomst van BB en de omstandigheden rondom de pandemie onvoldoende grond bieden voor matiging. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissingen en partijen krijgen een nieuwe termijn voor nadere uitlatingen.
Uitkomst: Het verzoek tot matiging van de vertragingsboete wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en het uitgangspunt van onverkorte uitvoering van het boetebeding.