Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
[eiser],
de naamloze vennootschap PSB BANK N.V.,
De procedure
- de akte overlegging productie 5 d.d. 25 januari 2001 zijdens PSB,
- het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2022, gedurende welke [naam 1] en [naam 2] als getuige zijn gehoord,
- het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2023, gedurende welke [naam 3] als getuige is gehoord,
- het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2023, gedurende welke [naam 4] als getuige in de contra-enquête is gehoord,
- de conclusie na enquête d.d. 12 juni 2023 zijdens [eiser],
- de conclusie na enquete d.d. 12 juni 2023 zijdens PSB, met producties, tegen het overleggen waarvan door [eiser] bezwaar is gemaakt.
De verdere beoordeling in reconventie
Het was de bedoeling dat [naam 3] dat als vertegenwoordiger van de RvC zou voordragen aan de aandeelhouder. Ik denk ook dat dat gebeurd is, want [naam 3] heeft eens aan mij verteld dat zij die voordracht had gedaan”.
[naam 3] heeft tijdens het overleg aangegeven het eens te zijn met de door Keesen voorgestelde oplossingsrichting, aldus dat voor [eiser] een gelijke regeling zou gelden als voor [naam 2]. Zij heeft gezegd dat zij dit zou voorstellen aan de minister als vertegenwoordiger van de aandeelhouder.
Het personeel van PSB Bank N.V. vormt de basis voor haar succes. (...) een eerlijk, rechtvaardige behandeling van haar personeel zijn principes waarvan niet zal worden afgeweken., maar gelet op het overwogene onder 18 en 19 oordeelt het gerecht dat niet is gebleken van een oneerlijke of onrechtvaardige behandeling van [eiser].