Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
,
,
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
In deze zaak vordert de eiser dat de gedaagde wordt bevolen om binnen een week met de minderjarige terug te verhuizen naar Curaçao, dan wel dat de minderjarige wordt gelast terug te keren, onder dreiging van een dwangsom. De minderjarige verblijft sinds april 2021 samen met de gedaagde in Frankrijk, waar de gedaagde werkt en het kind naar school gaat.
De rechter beoordeelt eerst zijn bevoegdheid, waarbij wordt vastgesteld dat het verzoek een internationaal karakter heeft. Volgens artikel 429ba Rv en het Haags Kinderbeschermingsverdrag is de gewone verblijfplaats van de minderjarige het zwaarstwegende aanknopingspunt voor rechtsmacht. De gewone verblijfplaats wordt bepaald aan de hand van integratie in sociale en familiale omgeving, duur en regelmatigheid van het verblijf, en familiale banden.
Aangezien de minderjarige en gedaagde inmiddels in Frankrijk wonen en het kind daar naar school gaat, ligt de gewone verblijfplaats buiten Curaçao. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom verklaart het gerecht zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering. De eiser wordt geadviseerd zich tot de Franse rechter te wenden. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechter verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek tot terugkeer van de minderjarige naar Curaçao af.