ECLI:NL:OGEAC:2020:8

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
10 januari 2020
Publicatiedatum
14 januari 2020
Zaaknummer
Cur201804115
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens ontbreken procesbelang in verblijfsvergunningzaak

In deze zaak heeft eiseres, wonend in Curaçao, een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging. Dit verzoek werd in 2002 afgewezen door verweerder, de minister van Justitie. Eiseres heeft in 2018 bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld, maar verweerder heeft de beslissing op bezwaar in 2019 opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens de zitting op 15 november 2019 heeft verweerder aangevoerd dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat zij inmiddels een andere verblijfsvergunning voor tijdelijk verblijf heeft gekregen, die geldig is tot 2020.

Eiseres betoogde dat er wel degelijk procesbelang is, omdat er een verblijfsgat is ontstaan sinds haar oorspronkelijke aanvraag in 2001. Het Gerecht heeft echter geoordeeld dat, gezien de verleende vergunning, eiseres heeft gekregen wat zij met haar beroep nastreefde. De rechter heeft vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen belang meer heeft bij een uitspraak over de afwijzing van haar oorspronkelijke verzoek. De uitspraak werd gedaan door mr. M. Soffers op 10 januari 2020, en er is geen grond voor vergoeding van griffierechten of proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak
in het geding tussen:

[eiseres],

wonend in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: de advocaat mr. A.K.H. Ayubi,
tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,
gemachtigden: de advocaat mr. P. Tweeboom.

Procesverloop

Op 17 oktober 2001 heeft eiseres verweerder verzocht om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging.
Verweerder heeft bij beschikking van 12 april 2002 voormeld verzoek afgewezen.
Daartegen heeft eiseres op 3 mei 2018 bezwaar gemaakt.
Bij beschikking van 22 oktober 2018 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (de bestreden beschikking).
Daartegen heeft eiseres op 5 december 2018 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 24 januari 2019 een verweerschrift ingediend.
Bij beschikking van 14 november 2019 heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2018 ingetrokken en het bezwaar van eiseres wederom niet-ontvankelijk verklaard.
Het Gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2019. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde en verweerder door mr. Tweeboom.

Overwegingen

1. Aan eiseres zijn na haar verzoek van 17 oktober 2001 om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging, meerdere vergunningen tot tijdelijk verblijf verleend. De laatst aan haar verleende verblijfsvergunning betreft een vergunning tot tijdelijk verblijf met als verblijfsdoel arbeid. Die vergunning is op 12 februari 2019 verleend en is geldig tot en met 24 oktober 2010.
2. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat eiseres geen procesbelang meer heeft, gelet op de bij beschikking van 12 februari 2019 aan eiseres verleende vergunning tot tijdelijk verblijf.
3. Eiseres meent dat er wel sprake is van procesbelang in verband met het verblijfsgat dat vanaf haar aanvraag van 17 oktober 2001 is ontstaan, dat thans aan verlening van een vergunning voor onbepaalde tijd in de weg staat.
4. Het is vaste jurisprudentie dat in een geval waarin in een procedure over een reguliere verblijfsvergunning een andere reguliere verblijfsvergunning werd verleend, alsdan is bereikt wat eiseres met haar beroep kennelijk nastreeft. De stelling dat eiseres, indien de vergunning alsnog wordt verleend, gezien het tijdsverloop (per direct) om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan verzoeken leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook dit belang wordt ontleend aan een onzekere, gestelde aanspraak, ter vaststelling waarvan de wetgever niet gewild heeft dat zou worden doorgeprocedeerd, zolang de verleende vergunning geldig blijft.
5. Het Gerecht is van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over dit beroep. Eiseres beschikt immers over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zodat zij heeft verkregen wat zij kennelijk met dit beroep nastreefde.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het Gerecht ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen
zes wekenna kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.