ECLI:NL:OGEAC:2020:5
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil tussen oud-partners accountantskantoor over betalingsverplichting en schorsing vonnis
Valorula Curaçao BV en Valorula Services Curaçao BV (Valorula c.s.) vorderen in kort geding de schorsing van de executie van een hofvonnis van 12 november 2019, dat hen veroordeelde tot maandelijkse betalingen aan hun oud-partners (gedaagden). Het geschil draait om de uitleg van het dictum van het hofvonnis, met name over de hoogte van de te betalen bedragen en de vraag of er sprake is van een betalingsachterstand.
Het hofvonnis veroordeelde Valorula c.s. tot betaling van 1/36ste deel van alle aan gedaagden toekomende bedragen, vermeerderd met rente, als voorschot op een bodemprocedure. Valorula c.s. stellen dat zij conform dit vonnis maandelijks NAf 62.109 betalen en dat er geen achterstand is, terwijl gedaagden een hoger bedrag van NAf 78.436,90 eisen en een achterstand van bijna NAf 294.000 aanvoeren.
Het gerecht legt uit dat het dictum van het hofvonnis beperkt is tot voortzetting van het reeds lopende terugbetalingsschema en dat Valorula c.s. op dit moment niet in gebreke zijn. Daarom is executie door gedaagden niet gerechtvaardigd. Ook is geen sprake van kennelijke misslagen in het hofvonnis die schorsing van de executie rechtvaardigen. Het gerecht verbiedt executoriale maatregelen zolang Valorula c.s. maandelijks minimaal NAf 62.109 plus rente betalen en wijst het meer gevorderde af.
De zaak betreft een executiegeschil in kort geding, waarbij de uitleg van een eerder vonnis en de voorwaarden voor schorsing van executie centraal staan. De kosten worden gecompenseerd zodat partijen hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Executie van het hofvonnis wordt niet geschorst zolang Valorula c.s. maandelijks minimaal NAf 62.109 plus rente betalen; executoriale maatregelen door gedaagden zijn verboden zolang niet aan deze betalingsverplichting is voldaan.