ECLI:NL:OGEAC:2020:316

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
31 augustus 2020
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
CUR201900374
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 103b RvArt. 60 RvArt. 1 Belastingregeling voor het KoninkrijkArt. 2 Belastingregeling voor het KoninkrijkArt. 3 Belastingregeling voor het Koninkrijk
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht verklaart zich onbevoegd in zaak over executoriaal beslag door ING Bank

Eiseres heeft bij notariële akte uit 2005 een hypothecaire kredietverbintenis jegens ING Bank aanvaard voor een lening aan haar dochter en schoonzoon. Na verkoop van de woning in 2012 bleef een schuldrestant bestaan. ING Bank legde in 2019 executoriaal beslag onder een derde in Nederland.

Eiseres vorderde dat ING het beslag staakt en terugbetaalt, stellende schade te hebben geleden. ING verweerde zich primair met onbevoegdheid van het Gerecht in Curaçao en subsidiair met de geldigheid van het beslag en erkende schuld.

Het Gerecht oordeelde dat de zaak uitsluitend raakvlakken met Nederland heeft, de kredietovereenkomst in Nederland is gesloten onder Nederlands recht, en het beslag in Nederland is gelegd. De woonplaats van eiseres in Curaçao biedt onvoldoende grond voor rechtsmacht. Toepassing van artikel 103b Rv leidt tot een exorbitante rechtsmacht, waardoor het Gerecht zich onbevoegd verklaart.

Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten, mede vanwege het gebruik van een niet-toegelaten gemachtigde en het volharden in gebrekkige stellingen. Het vonnis werd uitgesproken op 31 augustus 2020 door rechter P.E. de Kort.

Uitkomst: Het Gerecht verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
VONNIS
in de zaak van:
Roxana Natalie Sirisia JURRJENS,
te Curaçao, Bramendiweg 44,
eiseres,
gemachtigde: aanvankelijk mr. E.J. Maduro, thans in persoon,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam, Nederland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 31 januari 2019;
- de conclusie van antwoord;
- de rolbeschikking van 2 december 2019;
- de akte herstel vertegenwoordiging van eiseres;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
Bij in Rotterdam verleden notariële akte van 17 juni 2005 heeft eiseres zich jegens (de rechtsvoorgangster van) ING verbonden tot nakoming van het bij die akte verstrekte hypothecaire krediet aan haar dochter en schoonzoon. Het betrof een krediet van EUR 101.250.
2.2
In 2012 is de verhypothekeerde woning verkocht, waarna een schuld overbleef van EUR 44.644,48.
2.3
Op 24 januari 2019 heeft ING uit kracht van de notariële akte executoriaal beslag ten laste van eiseres gelegd onder het ABP in Heerlen.

3.De vordering en de grondslag van de vordering

3.1
Eiseres stelt schade te hebben geleden door de handelingen van ING.
3.2
Eiseres verwijst naar de artikelen 1,2,3,15,24,36 t/m 38 en 44 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, artikel 1:102 BWC Pro, artikel 16 Staatsregeling Pro Curaçao, artikel 18 lid Pro 1 t/m 4 Landsverordening Algemeen Ouderdomspensioen, artikel 56 lid Pro 1 t/m 4 Pensioenlandsverordening Overheidsdienaren en artikel 43 en Pro 48 van het Statuut.
3.3
Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a) ING te bevelen met onmiddellijke ingang de uit hoofde van de geldlening gestarte invordering en beslaglegging te staken en gestaakt te houden;
b) ING te veroordelen alle uit hoofde van de invordering en beslaglegging verkregen gelden met onmiddellijke ingang aan eiseres te restitueren;
c) ING te veroordelen in de kosten van het geding.

4.Het verweer

ING heeft zich primair verweerd met een beroep op de onbevoegdheid van het Gerecht. Subsidiair bestrijdt ING dat er een grond is voor het gevorderde. Zij heeft beslag gelegd op grond van een rechtsgeldige executoriale titel, de verschuldigdheid van het (restant)bedrag waarvoor beslag is gelegd is erkend en van misbruik van bevoegdheid van ING is geen sprake.

5.De beoordeling

5.1
Vooropgesteld wordt dat uit het verzoekschrift niet blijkt wat de rechtsgrond is voor de vorderingen van eiseres. Zij stelt niet dat IND onrechtmatig heeft gehandeld of is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, en voert evenmin feiten en omstandigheden aan waaruit kan worden afgeleid dat zij dit bedoelt te stellen. Ook de verwijzing naar de wetsartikelen biedt geen aanknopingspunten. Bij conclusie van repliek is geen nadere duidelijkheid verschaft. Bij die conclusie is bovendien onweersproken gebleven dat eiseres de vordering waarvoor ING beslag heeft gelegd heeft erkend en dat ING gerechtigd was en is uit kracht van de notariële akte executoriale maatregelen te nemen.
5.2
Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak wordt echter niet toegekomen. Het exceptief verweer van ING dat het Gerecht niet bevoegd is slaagt. ING is in Nederland gevestigd, en de zaak heeft louter raakvlakken met Nederland. De kredietovereenkomst die ten grondslag ligt aan de beslaglegging door ING is in Nederland aangegaan met partijen - onder wie eiseres - die allen in Nederland woonden. Op die overeenkomst werd Nederlands recht van toepassing verklaard. De woning die diende tot hypothecaire zekerheid was gelegen in Nederland. Het beslag waartegen de vordering van eiseres zich richt is gelegd in Nederland, onder een in Nederland gevestigde derde. Bij die stand van zaken biedt artikel 103b Rv, dat als regel van relatieve bevoegdheid bepaalt dat de rechter van de woonplaats van de eiser bevoegd is indien de bevoegdheid niet reeds op andere gronden is gegeven, onvoldoende rechtvaardiging voor toepassing van het ‘distributie bepaalt attributie’-beginsel en voor overdaging van ING. Dat zou in het onderhavige geval leiden tot een rechtsmacht die als exorbitant moet worden aangemerkt.
5.3
Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven. Eiseres zal daarbij op de voet van artikel 60 Rv Pro worden veroordeeld in de proceskosten. Dat eiseres zich aanvankelijk door een niet-toegelaten beroepshalve optredend gemachtigde heeft laten bijstaan en vervolgens, nadat zij daarop bij rolbeschikking was gewezen, in diens gebrekkige stellingen en vorderingen heeft volhard, dient voor haar rekening te blijven.

6.Beslissing

Het Gerecht:
6.1
verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;
6.2
veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.500 voor salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.