ECLI:NL:OGEAC:2020:297

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
2 november 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
CUR201904572
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:308 BWArt. 60 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ex-werknemer wegens verjaring promotiegeschil

Eiser trad in 1998 in dienst bij gedaagde en vorderde betaling van salarisverhogingen die hij meent ten onrechte onthouden te zijn sinds 2005. Hij baseert dit op positieve evaluaties en stelt recht te hebben op promoties naar salarisschaal 9 en 10.

Gedaagde verweert zich met een beroep op verjaring, aangezien de vermeende onterechte beoordelingen dateren uit 2005 en de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar reeds in 2011 was verstreken. Ook een latere brief uit 2013 waarin de reden van niet-promotie werd meegedeeld, leidt niet tot stuiting van de verjaring.

Het gerecht oordeelt dat de vordering verjaard is en wijst deze daarom af. Daarnaast overweegt het gerecht inhoudelijk dat de promotie niet is toegekend omdat de evaluaties niet het vereiste niveau van 'very good' bereikten. Objectieve aanwijzingen dat gedaagde onredelijk heeft gehandeld ontbreken.

De vraag of eiser met de beëindigingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn aanspraken blijft onbesproken. De kosten van het geding worden aan eiser opgelegd.

Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens verjaring en onvoldoende bewijs voor onrechtmatigheid.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
VONNIS
in de zaak van:
[EISER],
wonend te Curaçao,
eiser,
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap REFINERIA ISLA CURAÇAO B.V.,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.B. Steward.

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties in kort geding, op d.d. 23 oktober 2019 ter griffie ingediend;
  • het als conclusie van antwoord aangemerkte schrijven van gedaagde van 7 december 2019;
  • het vonnis in kort geding van 9 december 2019 waarbij de zaak is verwezen naar de gewone procedure;
  • het als conclusie van repliek aangemerkte schrijven van eiser van 4 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek van gedaagde;
  • de door gedaagde ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties;
  • de ter zitting van 29 september 2020 voorgedragen en overgelegde pleitnota’s van partijen.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Eiser is op 2 januari 1998 in dienst getreden van gedaagde. Het laatstgenoten maandsalaris van eiser was gebaseerd op salarisschaal/salarisgroep 8.
2.2.
Op 19 december 2005 heeft het beoordelingsgesprek tussen eiser en gedaagde plaatsgevonden Het functioneren van eiser voor de periode van 1 oktober 2004 tot en met 1 oktober 2005 werd daarbij door gedaagde als “Good” beoordeeld. Het beoordelingsformulier werd zowel door eiser als door gedaagde getekend.
2.3.
Bij brief van 8 februari 2013 zijn de voorwaarden waaraan een werknemer dient te voldoen, teneinde van schaal 8 naar schaal 9 gepromoveerd te worden, aan eiser medegedeeld. Daarbij is eiser tevens de reden meegedeeld waarom hij niet gepromoveerd is naar schaal 9.
2.4.
Op 18 december 2019 hebben eiser en gedaagde een beёindigingsovereenkomst (Termination of agreement with mutual consent) getekend. Daarbij werd bepaald dat het dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 januari 2020 beëindigd zal worden.

3.De vorderingen

3.1
In zijn verzoekschrift in kort geding heeft eiser zijn vordering aldus geformuleerd:
Eiser vordert al het van eiser “ontnomen progressieve inkomen” beginnend van oktober 2005 tot einde van dit Kort Geding, welke calculatie van deze ontnomen hoeveelheid “progressieve inkomen” de taak is van de financiële afdeling van gedaagde.
Bij repliek heeft eiser zijn vordering aangevuld en vordert hij tevens:
een schadevergoeding van 100% van de te verkrijgen inningen aan het einde van deze zaak maar als garantie door de huidige toestand van Isla (…) een inhouding of borgsom van tweehonderdduizend gulden van Isla.
3.2
Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
3.3
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De vordering van eiser komt er blijkens zijn toelichting in de kern op neer dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het eiser toekomende inkomen, uitgaand van eisers promotie per 1 oktober 2005 naar salarisschaal 9 en per 1 oktober 2008 naar schaal 10. Volgens eiser had gedaagde hem die promotie niet mogen onthouden, mede gelet op de resultaten van zijn evaluatie over de periode oktober 2004 tot oktober 2005.
4.2
Gedaagde heeft een beroep gedaan op verjaring. Dat beroep slaagt. De volgens eiser onterechte beoordelingen die aan zijn promotie naar salarisschaal 9 in de weg stonden dateren van 2005. Voor de daaruit mogelijk voortgevloeide vorderingsrechten geldt ingevolge artikel 3:308 BW Pro een verjaringstermijn van vijf jaren. Die termijn was derhalve uiterlijk in 2011 voltooid. Dat voordien stuiting van de verjaringstermijn heeft plaatsgehad is gesteld noch gebleken. In haar brief van 8 februari 2013 heeft gedaagde eiser uiteengezet waarom eiser volgens gedaagde niet in aanmerking komt voor plaatsing in salarisgroep 9. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat pas vanaf die datum een (nieuwe) verjaringstermijn is gaan lopen, geldt dat de verjaring voltooid was voordat eiser op 23 oktober 2019 het verzoekschrift in deze zaak indiende. Ook hier geldt dat van stuiting in de tussenliggende periode niet is gebleken.
4.3
Het geslaagde beroep op verjaring leidt er reeds toe dat de vordering van eiser niet kan worden toegewezen.
4.4
Ten overvloede overweegt het gerecht dat ook bij een inhoudelijke beoordeling geen toewijzing van eisers vordering zou kunnen volgen. Gedaagde heeft met verwijzing naar de overgelegde stukken uiteengezet dat ten aanzien van eiser conform de ‘Perfomance Evaluation Labour and Staff’-procedure die binnen gedaagde gold is gehandeld. Het functioneren van eiser is daarbij steeds beoordeeld op de aspecten i) ‘general and technical performance’ en ii) ‘behaviour and attitude’. Omdat het resultaat van die evaluaties nimmer ‘very good’ was, welke kwalificatie vereist was voor promotie, heeft gedaagde eiser geen promotie gegeven en is eiser in salarisschaal 8 gebleven. Duidelijk is dat eiser zich niet in de beoordeling kan vinden, maar objectieve aanwijzingen die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat gedaagde in redelijkheid niet tot het door haar ingenomen standpunt heeft kunnen komen, ontbreken.
4.5
In hoeverre eiser met het ‘termination agreement’ afstand heeft gedaan van zijn onderhavige aanspraken - hetgeen gedaagde stelt en eiser betwist - kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.
4.6
Slotsom is dat de vordering van eiser zal worden afgewezen. Eiser zal op de voet van artikel 60 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij het gemachtigdensalaris zal worden geliquideerd op basis van twee punten.

5.Beslissing

Het Gerecht,
- wijst af het gevorderde;
- veroordeelt eiser in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagde begroot op NAf 2.500 voor gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.