Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Beslissing
[verzoekster],
DE MINISTER VAN JUSTITIE,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
wijsthet verzoek voor het overige
af.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Verzoekster is door de minister van Justitie als ongewenste vreemdeling bestempeld en bevolen uiterlijk 18 januari 2019 Curaçao te verlaten, met gelijktijdige inbewaringstelling ter verzekering van haar verwijdering. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om in vrijheid de beroepsprocedure af te wachten.
Het Gerecht overweegt dat verzoekster sinds november 2016 zonder geldige verblijfsvergunning op Curaçao verblijft en dat haar aanvraag tot verlenging van tijdelijk verblijf is afgewezen vanwege het niet voldoen aan het uitlandigheidsvereiste. Gezien het feit dat zij substantiële delen van haar verblijf onrechtmatig heeft doorgebracht, is de inbewaringstelling terecht bevolen om haar verwijdering te waarborgen.
Verzoekster stelde dat zij eenhoofdig gezag heeft over haar kinderen en dat haar verwijdering strijdig is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Het Gerecht oordeelt echter dat de kinderen sinds mei 2016 bij hun vader verblijven en dat er geen spoedeisend belang bestaat, mede omdat de kinderen haar in Suriname of elders kunnen bezoeken.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verwijderingsbeschikking en inbewaringstelling wordt afgewezen.