Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
4.BEOORDELING VAN HET BEROEP
5.PROCESKOSTENVERGOEDING
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende, woonachtig in Curaçao, kocht in 2014 een motorjacht in de Verenigde Staten dat tijdelijk werd ingevoerd met vrijstelling van invoerrechten. De douane stelde later dat de vrijstelling niet van toepassing was omdat belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Curaçao had. Belanghebbende betaalde de invoerrechten en vroeg teruggaaf, wat werd afgewezen.
Het geschil betrof de vraag of de vrijstelling van artikel 102 LVTI Pro van toepassing was. De vrijstelling geldt alleen voor vervoermiddelen van personen die hun normale verblijfplaats in het buitenland hebben. Het Gerecht oordeelde dat belanghebbende, woonachtig in Curaçao, niet aan deze voorwaarde voldeed en dus invoerrechten verschuldigd waren.
Verder stelde belanghebbende dat de douane in strijd had gehandeld met beginselen van behoorlijk bestuur en het verdedigingsbeginsel, maar het Gerecht verwierp deze stellingen omdat de douane geen onrechtmatige navordering had gedaan en het verdedigingsbeginsel niet van toepassing is buiten het EU-recht. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet voldaan is aan de voorwaarden voor vrijstelling van invoerrechten.