ECLI:NL:OGEAC:2018:384

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
6 juni 2018
Publicatiedatum
31 mei 2020
Zaaknummer
CUR201801577
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling en overboeking saldo bankrekening afgewezen wegens onvoldoende bewijs betalingsonmacht

Eiser, woonachtig in Venezuela, hield een bankrekening bij Banco del Orinoco N.V. (BdO) met een saldo van USD 275.870,84 per 30 april 2018. Sinds april 2018 verzocht eiser de bank om het saldo over te maken naar zijn rekening bij de Israel Discount Bank of New York. BdO heeft dit verzoek niet uitgevoerd.

Eiser startte een kort geding en vorderde betaling van het saldo vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 april 2018, met veroordeling van BdO in de proceskosten. BdO voerde aan dat de correspondent bank de betaling niet wilde verwerken vanwege de omvang en aard van de transactie, waardoor zij betalingsonmacht zou hebben.

Het gerecht oordeelde dat BdO onvoldoende had onderbouwd dat de correspondent bank de betaling had geweigerd. De omvang van het bedrag en de aangehaalde regelgeving boden geen voorshands grond voor betalingsonmacht. Daarom werd de vordering van eiser toegewezen en werd BdO veroordeeld tot betaling van het saldo met rente en de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: BdO wordt veroordeeld tot betaling van USD 275.870,84 plus wettelijke rente en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Vonnis in kort geding
In de zaak van:
[eiser],
wonende te Venezuela,
eiser,
gemachtigde: mr. Q.D.A. Carrega,
tegen
de naamloze vennootschap
Banco del Orinoco N.V.,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mrs. T.E. Matroos en R.U.A. Helberg-Proctor,
Partijen zullen hierna [eiser] en BdO genoemd worden.

1.Verloop van de procedure

1.1. [
eiser] heeft op 23 mei 2018 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2018 plaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde en hebben het woord gevoerd, BdO aan de hand van pleitaantekeningen, die in het dossier zijn gevoegd.
1.2.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. [
eiser] houdt bij de BdO een bankrekening (nummer [rekeningnummer]) met een saldo van USD 275.870,84 per 30 april 2018.
2.2.
Sedert april 2018 probeert [eiser] haar relatie met BdO te beëindigen en het saldo op zijn bankrekening overgemaakt te krijgen naar zijn bankrekening bij de Israel Discount Bank of New York in New York.
2.3.
Tot op heden heeft BdO geen uitvoering gegeven van het verzoek van [eiser].

3.Het geschil en de beoordeling

3.1. [
eiser] vordert, kort gezegd, om BdO bij vonnis in kort geding, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van USD 275.870,84, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van BdO in de proceskosten.
3.2. [
eiser] stelt zich op het standpunt dat BdO op basis van de algemene voorwaarden gehouden is het gevorderde uit te betalen. Voor het uitblijven van de overboeking heeft BdO geen valide reden gegeven. Dat leidt tot wanprestatie c.q. onrechtmatige daad zijdens BdO.
3.3.
BdO voert ten verwere aan dat zij niet in staat is om het geldbedrag over te boeken nu de correspondent bank de betaling niet wil verwerken omdat het een buitensporige en ongebruikelijke geldoverdracht zou betreffen. Aldus heeft BdO niet onrechtmatig gehandeld, dan wel kan dat haar niet worden toegerekend.
3.4.
Partijen zijn het eens over het bedrag dat BdO namens [eiser] onder zich heeft. Voorts is niet in geschil dat BdO gehouden is tot betaling c.q. het overboeken van de overige gevorderde gelden, mede nu de gegunde termijn niet heeft geresulteerd in de overboeking van de gevorderde gelden. In het kader van de in dit kort geding te nemen beslissing ligt de vraag voor of voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet van BdO gevergd kan worden dat zij deze verplichting nakomt. In het kader van de daarbij te maken afweging dient te worden beoordeeld of er in de verhouding tussen BdO en [eiser] gewicht dient toe te komen aan de betalingsonmacht waarin BdO stelt te verkeren.
3.5.
Naar het oordeel van het Gerecht heeft BdO, gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser], onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij door toedoen van de correspondent bank niet in staat is om tot overboeking van gelden over te gaan. BdO heeft geen onderbouwing aangedragen voor haar stelling dat de correspondent bank het betalingsverzoek van BdO niet heeft verwerkt. De omvang van het in casu te overboeken bedrag is op zichzelf bezien, ook in het licht van de aangehaalde (inter)nationale regelgeving ter bestrijding van terrorismefinanciering en belastingontduiking, onvoldoende om voorshands daartoe te kunnen concluderen. Aldus heeft BdO onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij door toedoen van de correspondent bank in betalingsonmacht is komen te verkeren. Reeds om die reden ligt de vordering van [eiser] voor toewijzing gereed.
3.6.
Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiser] zoals geformuleerd onder rechtsoverweging 3.1. worden toegewezen zoals hierna vermeld.
4.6.
BdO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten ad NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris, Naf 4.970,- aan griffierechten en NAf 510,96 aan oproepingskosten.

5.De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:
-
veroordeeltBdO tot betaling aan [eiser] van een bedrag van USD 275.870,84, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot en met de dag der algehele voldoening;
-
veroordeeltBdO in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris Naf 4.970,- aan griffierechten en NAf 510,96 aan oproepingskosten;
-
verklaarthet vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-
wijst afhet meer of anders gevorderde.
Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.