ECLI:NL:OGEAC:2018:376

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
29 oktober 2018
Publicatiedatum
20 mei 2020
Zaaknummer
CUR201803221
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incasso van vrachtkosten erkend, beslagkosten afgewezen

Gomez Shipping N.V. vorderde betaling van vrachtkosten van NAf 21.053,76 plus rente, incassokosten en beslagkosten van gedaagde, die motorvoertuigen van de VS naar Curaçao liet vervoeren. Gedaagde erkende de hoofdsom maar betwistte de beslagkosten omdat er al een regeling in de maak was.

Het gerecht stelde vast dat de hoofdsom en rente toewijsbaar zijn en kende incassokosten toe conform het Procesreglement 2018. Het beslag werd echter als te voorbarig beoordeeld omdat partijen onderhandelden over een regeling, waardoor de beslagkosten werden afgewezen.

Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en incassokosten, alsmede de proceskosten van Gomez. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vrachtkosten met rente en incassokosten, beslagkosten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Afdeling civiel
Zaaknummer: CUR201803221
Vonnis in kort geding d.d. 29 oktober 2018
inzake
de naamloze vennootschap GOMEZ SHIPPING N.V.,
gevestigd te Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.B. Wilsoe,
tegen
[GEDAAGDE] h.o.d.n. ROYAL IMPORT CURACAO,
wonende te Curaçao,
gedaagde,
procederende in persoon,
Partijen zullen hierna Gomez en [gedaagde] worden genoemd.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Gomez heeft op 26 september 2018 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens heeft op 15 oktober 2018 de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de gemachtigde van Gomez haar standpunten heeft toegelicht aan de hand van overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen. Tijdens de zitting is [gedaagde] in persoon verschenen. Hij heeft producties in het geding gebracht en het woord gevoerd.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn een vervoersovereenkomst aangegaan op basis waarvan Gomez voor [gedaagde] motorvoertuigen van de Verenigde Staten naar Curaçao heeft vervoerd. Uit hoofde hiervan is [gedaagde] een bedrag van NAf 21.053,76 aan Gomez verschuldigd.
2.2.
Omdat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen heeft Gomez hem bij brief van 23 april 2018 gesommeerd tot betaling van de vrachtkosten ten bedrage van NAf 21.053,76, vermeerderd met (boete) rente en kosten. In deze brief biedt Gomez [gedaagde] de mogelijkheid aan om middels haar gemachtigde een minnelijke regeling te beproeven. Partijen zijn sedert begin juli 2018 met elkaar in overleg omtrent een minnelijke regeling.
2.3.
Gomez heeft na bekomen verlof hiertoe op 29 augustus 2018 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Riffort Village N.V. ten laste van [gedaagde] en daarnaast conservatoir beslag gelegd op diens motorvoertuig.
2.4.
Op 26 september 2018 heeft Gomez bij dit Gerecht de eis in de hoofdzaak ingesteld.

3.Het geschil

3.1.
Gomez vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om bij wijze van voorschot te betalen de hoofdsom van NAf 21.053,76, te vermeerderen met de overeengekomen boeterente van 2%, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 april 2018 tot en met de dag van algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met 15% aan buitengerechtelijk kosten en de beslagkosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2. [
Gedaagde] erkent de verschuldigde hoofdsom, maar betwist de gevorderde beslagkosten. Hij betoogt – naar het Gerecht begrijpt – dat het beslag voorbarig is gelegd omdat partijen reeds overeenstemming hadden bereikt omtrent een regeling en dat deze regeling alleen nog schriftelijk moest worden vastgelegd. [gedaagde] meent dan ook dat de door Gomez gelegde beslagen onnodig waren.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat Gomez de motorvoertuigen in opdracht en op kosten van [gedaagde] heeft vervoerd. Over het hoofdsom van NAf 21.053,76, te vermeerderen met de overeengekomen boeterente van 2%, zoals door Gomez in rekening gebracht, bestaat geen discussie. De erkende hoofdsom is daarom toewijsbaar.
4.2. [
Gedaagde] heeft de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet betwist. In afwijking van de gevorderde 15% aan buitengerechtelijke incassokosten, zal conform hetgeen in het Procesreglement 2018 is geregeld, een bedrag van NAf 1.500,00 te weten 1½ punt van tarief 4, worden toegewezen. Dit bedrag is gebaseerd op de toegewezen hoofdsom.
4.3.
Het Gerecht oordeelt voorts dat [gedaagde] middels de door hem overgelegde e-mailcorrespondentie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen in ieder geval in een zover gevorderd stadium van onderhandeling over een minnelijke regeling waren dat Gomez te voorbarig beslagen heeft gelegd. De stelling van Gomez dat hij [gedaagde] telefonisch heeft geadviseerd om, ondanks het ontbreken van een vaststellingsovereenkomst, meteen de overeengekomen bedragen te betalen is, gezien de onderbouwde betwisting van [gedaagde], niet komen vast te staan. De kosten van het beslag zullen daarom worden afgewezen.
4.10. [
Gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Gomez tot op heden begroot op NAf 998,50 aan verschotten (NAf 750.- aan griffierechten daarin begrepen) en
NAf 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

5.De beslissing

Het Gerecht:
Rechtdoende in kort geding:
5.1.
veroordeelt[gedaagde] om aan Gomez tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen NAf 21.053,75, te vermeerderen met 2% overeengekomen boeterente over dit bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met
NAf 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.2.
veroordeelt[gedaagde] in de aan de zijde van Gomez gemaakte proceskosten, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op NAf 1.000,- aan gemachtigdensalaris, NAf 248,50 aan verschotten en NAf 750,- aan griffierechten;
5.3.
verklaartdit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijsthet meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 29 oktober 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.