ECLI:NL:OGEAC:2016:155

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
29 juli 2016
Publicatiedatum
13 februari 2017
Zaaknummer
BBZ nr. 69749 van 2014
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Landsverordening beroep in belastingzakenArt. 50 tiende lid Landsverordening administratieve rechtspraakArt. 81 Landsverordening administratieve rechtspraakArt. 17a eerste lid Landsverordening beroep in belastingzakenArt. 14 derde lid Landsverordening beroep in belastingzaken
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding bij intrekking beroep invoerrechten

Belanghebbende heeft een verzoek om vrijstelling van invoerrechten gedaan, dat door de Douane en later door de Inspecteur is afgewezen. Na afwijzing van bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Tijdens de procedure is het beroep ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om proceskostenvergoeding.

Het Gerecht beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding aan de hand van artikel 15 van Pro de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB), waarin is bepaald dat proceskostenvergoeding bij intrekking van het beroep alleen kan worden toegekend indien de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de partij is tegemoetgekomen. In deze zaak was geen sprake van enige tegemoetkoming door de Inspecteur.

Daarom werd het verzoek afgewezen. Het Gerecht benadrukte dat het schrijven van de Inspecteur waarin de eerdere uitspraak op bezwaar werd bevestigd, niet als tegemoetkoming kan worden beschouwd. De uitspraak werd gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, en leden mr. W.J. Noordhuizen en mr. D.J. Jansen op 29 juli 2016.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de Inspecteur niet is tegemoetgekomen en de voorwaarden voor toekenning niet zijn vervuld.

Uitspraak

Uitspraak van 29 juli 2016
BBZ nr. 69749 van 2014
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
X,wonende te Curaçao,
belanghebbende
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN,
de Inspecteur,

1.PROCESVERLOOP

1.1
Belanghebbende heeft op 30 december 2013 een verzoek om vrijstelling van invoerrechten gedaan voor de invoer van zijn persoonlijke goederen. Dit verzoek is door de Douane op 29 januari 2014 afgewezen.
1.2
Belanghebbende heeft hiertegen op 13 maart 2014 bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.
1.3
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar 21 augustus 2014 in beroep gekomen. Op 23 april 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
1.4
Bij schrijven van 24 september 2015 heeft de Inspecteur gepersisteerd in haar standpunten vermeld in de uitspraak op bezwaar van 10 juli 2014. Het schrijven van 24 september 2015 is op 6 april 2016 door belanghebbende in ontvangst genomen.
1.5
Belanghebbende heeft op 10 februari 2016 wegens het uitblijven van een reactie van de Inspecteur op de hoorzitting een verzoek ingevolge artikel 81 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) ingediend bij het Gerecht. Aan de belanghebbende is door de griffie medegedeeld (e-mail 26 februari 2016) dat de zaak niet door de Lar rechter zal worden behandeld en dat het naar de belastingrechter is doorgestuurd.
1.6
Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening Pro op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) op 15 april 2016 en op 14 juni 2016 uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. Belanghebbende is op beide data niet verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 14 april 2016 een e-mailbericht naar het Gerecht verzonden waarin is vermeld dat de zaak wordt ingetrokken. Gelijktijdig met de intrekking wordt verzocht om kostenvergoeding ingevolge artikel 50 van Pro de Lar. Dit e-mail bericht is in het ongerede geraakt en het Gerecht heeft pas vlak voor de zitting van 14 juni 2016 hiervan kennis genomen.

2.PROCESKOSTENVERGOEDING

2.1
De gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een kostenvergoeding ingevolgde artikel 50 tiende Pro lid, van de Lar. Voormelde bepaling is echter niet van toepassing op beroepsprocedures in belastinggeschillen. Op beroepsprocedures in belastinggeschillen, waaronder de invoerrechten, is de Landsverordening beroep in belastingzaken van toepassing (LBB). In artikel 15 van Pro LBB is bepaald dat het Gerecht (de belastingrechter) bij uitsluiting bevoegd is om een partij te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsfase. Het Gerecht zal daarom beoordelen of belanghebbende op basis van deze landsverordening in aanmerking komt voor proceskostenvergoeding. Proceskosten bij intrekking van het beroep worden geregeld in het derde lid van artikel 15. Deze bepaling luidt als volgt:
“3. In geval van intrekking van het beroep, omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de betreffende partij is tegemoetgekomen, kan de Inspecteur op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.”
2.2
In het onderhavige geval is de Inspecteur niet aan belanghebbende tegemoet gekomen. Immers de afwijzing van het verzoek om vrijstelling is in de beroepsfase in stand gebleven. Nu de Inspecteur niet (geheel noch gedeeltelijk) het door belanghebbende gewenste besluit (toekenning van vrijstelling) heeft genomen is geen grond om de Inspecteur in de kosten van de beroepsprocedure te veroordelen. Het schrijven van de Inspecteur van 24 september 2015 waarin de eerder gegeven uitspraak op bezwaar wordt bevestigd kan niet worden aangemerkt als een tegemoetkoming in de zin van voormelde bepaling. Overigens heeft de Inspecteur het schriftuur van 24 september 2015 ten onrechte aangeduid als een uitspraak op bezwaar, nu de bezwaarfase met de uitspraak op bezwaar van 10 juli 2014 is beëindigd.
2.3
Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

3.BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.J. Noordhuizen, en mr. D.J. Jansen leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).