ECLI:NL:OGEABES:2026:98

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BON202500301
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.53 Belastingwet BESArt. 8.46 Belastingwet BESArtikel 136 onder I Procesreglement Civiele Zaken 2023Artikel 1 Protocol EVRMArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen executoriaal beslag op woning wegens belastingschulden ongegrond verklaard

Eiser heeft twee dwangschriften ontvangen van de Ontvanger wegens belastingschulden, zowel privé als als bestuurder van een onderneming. Omdat de belastingschulden niet zijn voldaan, heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op de woning van eiser. Eiser komt in verzet tegen de tenuitvoerlegging van deze dwangschriften en vordert nietigverklaring van de dwangschriften en het beslag.

De rechtbank beoordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de tenuitvoerlegging zonder voorafgaande kennisgeving of zonder mogelijkheid tot wederhoor heeft plaatsgevonden. De Ontvanger heeft meerdere aanslagen en aanmaningen verstuurd en de dwangschriften zijn rechtsgeldig betekend. Het verzet kan niet gericht zijn tegen de grondslag of hoogte van de belastingschuld, ook niet nu een deel van de schuld na bezwaar is gematigd.

Het beslag wordt niet als disproportioneel beoordeeld, aangezien eiser een aanzienlijke schuld onbetaald heeft gelaten en het haar vrijstaat om op andere wijze zekerheid te verschaffen. Ook zijn de aangevoerde schendingen van fundamentele rechten niet onderbouwd. De belangenafweging valt in het voordeel van de Ontvanger uit. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard en moet eiser de proceskosten betalen, die nihil worden begroot.

Uitkomst: Het verzet tegen de executoriale beslaglegging op de woning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500301
datum beslissing: 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend op Bonaire,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. A.C. Small,
tegen
de Ontvanger van de Belastingdienst Caribisch Nederland,
zetelend op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: de Ontvanger,
gemachtigde: mr. J.G. Giel.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 18 juni 2025 op de griffie van dit Gerecht ingediend. Op 29 oktober 2025 heeft de Ontvanger voor antwoord geconcludeerd. Op 17 maart 2026 heeft [eiser] een aanvullende productie per
e-mail overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Small. De Ontvanger is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De spreekaantekeningen die mr. Small heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat op 22 april 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1. [
eiser] heeft in verband met belastingschulden twee dwangschriften van de Ontvanger ontvangen. Omdat [eiser] de bedragen uit de dwangschriften niet heeft betaald, heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser]. Met het verzoekschrift komt [eiser] in verzet tegen de tenuitvoerlegging van de dwangschriften. Het verzet van [eiser] wordt ongegrond verklaard.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1.
De Ontvanger heeft de volgende twee dwangschriften [1] aan [eiser] betekend:
  • DWS10313262, uitgevaardigd op 23 januari 2025, totale schuld: USD 3.947;
  • DWS10314280, uitgevaardigd op 30 januari 2025, totale schuld: USD 89.131.
3.2.
Het dwangschrift van 23 januari 2025 heeft betrekking op een belastingschuld van [eiser] in privé. Het dwangschrift van 30 januari 2025 heeft betrekking op een belastingschuld van de onderneming [B.V.] waarvan [eiser] bestuurder is. De Ontvanger heeft [eiser] als bestuurder aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld van de hiervoor genoemde onderneming.
3.3. [
eiser] heeft de belastingschulden uit rechtsoverweging 3.1 niet betaald. De Ontvanger heeft op 2 april 2025 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] aan de [adres] op Bonaire.
3.4.
Op 6 februari 2026 heeft de Ontvanger een beslissing genomen op het bezwaar van [eiser] tegen de belastingschuld waarvan op 23 januari 2025 een dwangschrift is uitgevaardigd. Hoewel het bezwaarschrift te laat was ingesteld, is de betreffende belastingschuld door de Ontvanger van USD 3.947 tot nihil gematigd.
Het verzet van [eiser] tegen de dwangschriften
3.5. [
eiser] is met haar verzoekschrift op grond van artikel 8.53 Belastingwet BES in verzet gekomen tegen de tenuitvoerlegging van de onder rechtsoverweging 3.1 genoemde dwangschriften. [eiser] vordert dat de dwangschriften en executoriale beslaglegging nietig wordt verklaard en dat de Ontvanger wordt verboden verdere executiemaatregelen te nemen tot in rechte is beslist over de belastingschulden.
3.6.
Aan haar verzet legt [eiser] ten grondslag dat sprake is van onregelmatigheden bij de tenuitvoerlegging van de dwangschriften, de grondslag van de belastingschuld wordt betwist, het beslag disproportioneel is, fundamentele rechten van [eiser] worden geschonden en dat een belangenafweging in het voordeel van [eiser] moet uitvallen.
De beoordeling van het verzet van [eiser]
3.7. [
eiser] heeft haar stelling dat de tenuitvoerlegging van de dwangschriften heeft plaatsgevonden zonder voorafgaande kennisgeving en zonder de mogelijkheid van wederhoor niet onderbouwd. De Ontvanger voert terecht aan dat voor de belastingschulden talloze aanslagen en aanmaningen zijn verstuurd. Dat is door [eiser] niet weersproken. Bovendien zijn de dwangschriften aan [eiser] betekend door de belastingdeurwaarder.
3.8.
Dat [eiser] de grondslag van de belastingschuld betwist in een beroepsprocedure, staat het recht van de Ontvanger om een dwangschrift ten uitvoer te leggen niet in de weg. Uit artikel 8.53 van de Belastingwet BES volgt dat een verzet niet gericht kan zijn tegen de wettigheid of grootte van de belastingschulden. De wetgever heeft de Ontvanger het recht gegeven om tot executie over te gaan voordat op een bezwaar of in een beroepsprocedure is beslist. Dat de belastingschuld van [eiser] in privé na een bezwaarprocedure tot nihil is gematigd maakt dat niet anders.
3.9. [
eiser] wordt niet gevolgd in haar stelling dat het beslag op haar woning disproportioneel is. [eiser] heeft een aanzienlijke aanslag van de Ontvanger onbetaald gelaten. Het staat [eiser] vrij om ter voorkoming van een executieverkoop van haar woning de belastingschulden op een andere manier te betalen of aan de Ontvanger zekerheid te verschaffen.
3.10.
In haar verzoekschrift heeft [eiser] gesteld dat de maatregelen van de Ontvanger schending opleveren van artikel 1 Protocol Pro EVRM, artikel 6 EVRM Pro, artikel 14 IVBPR Pro, artikel 17 UVRM Pro, artikel 1 Grondwet Pro en artikel 5 tot Pro en met 22 AVG. [eiser] heeft alleen de hiervoor genoemde artikelen in haar verzoekschrift opgesomd. [eiser] heeft niet gesteld waarom de getroffen maatregelen door de Ontvanger de hiervoor genoemde rechten van [eiser] zouden schenden. Van schending van deze rechten door de Ontvanger is het Gerecht ook niet gebleken.
3.11.
Tot slot heeft [eiser] nog gesteld dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Volgens [eiser] is onvoldoende gebleken dat haar belang tegen disproportionele executiemaatregelen zorgvuldig is afgewogen tegen het belang van de Ontvanger om tot executie over te gaan. Het Gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat geen sprake is van disproportionele executiemaatregelen. Andere omstandigheden waarom de belangenafweging in het voordeel van [eiser] zou moeten uitvallen zijn niet gesteld. De Ontvanger maakt gebruik van haar recht om tot executie van het dwangschrift over te gaan.
3.12.
Gelet op het voorgaande zal het verzet van [eiser] tegen de dwangschriften ongegrond worden verklaard.
[eiser] moet proceskosten betalen
3.13. [
eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de Ontvanger betalen. Het Gerecht begrijpt dat de gemachtigde van de Ontvanger bij de Ontvanger in dienst is. Daarom worden de proceskosten op nihil begroot. [2]

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
verklaart het verzet ongegrond;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 8.46 Belastingwet BES.
2.Artikel 136 onder Pro I Procesreglement Civiele Zaken 2023.