ECLI:NL:OGEABES:2026:93

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BON202600242
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BW BESArt. 1:258 BW BESArt. 263 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ondertoezichtstelling en afwijzing uithuisplaatsing minderjarige

De Voogdijraad Caribisch Nederland verzocht op 8 mei 2026 om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2009. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 mei 2026, waarbij de moeder niet verscheen. De rechter sprak ook met de minderjarige op 26 mei 2026.

De minderjarige woont sinds augustus 2025 bij een meerderjarige vriend, terwijl zij staat ingeschreven op het adres van de moeder. De Voogdijraad stelde dat de situatie onwenselijk is vanwege een scheve gezagsverhouding en afhankelijkheid. Uit het kinderbeschermingsonderzoek bleek dat de minderjarige behoefte heeft aan hulpverlening vanwege spijbelgedrag en gebrek aan opvoedkundige sturing.

De rechter oordeelde dat de belangen en ontwikkeling van de minderjarige zodanig worden bedreigd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is tot haar meerderjarigheid in 2027. De uithuisplaatsing werd echter afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze maatregel noodzakelijk is. De rechter vond het onwenselijk om de minderjarige onder dwang bij Begeleid Wonen Bonaire te plaatsen voor de resterende duur van de minderjarigheid, mede omdat de minderjarige zelf hulp wil ontvangen en de relatie met de meerderjarige vriend niet voldoende reden is voor uithuisplaatsing.

De beschikking werd op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter R.P.P. Hoekstra, waarbij tevens een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland werd belast met het toezicht.

Uitkomst: Ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt toegewezen tot haar meerderjarigheid, uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600242
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna ook: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige]),
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder.

1.Het procesverloop

1.1.
Op 8 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij is de moeder niet verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] verschenen.
1.3.
Op 26 mei 2026 heeft de rechter gesproken met [de minderjarige].
1.4.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [de minderjarige]. [de vader] (hierna: de vader) heeft [de minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gescheiden en [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
2.2.
Sinds augustus 2025 is [de minderjarige] woonachtig bij haar meerderjarige vriend te [adres].
2.3.
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] zijn. Op 6 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.

3.De beoordeling

3.1.
Het verzoek van de Voogdijraad betreft de ondertoezichtstelling tot [datum] 2027 (de datum van het meerderjarig worden van [de minderjarige]) en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
Op grond van artikel 1:254 juncto Pro 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
3.3.
De rechter kan op grond van artikel 263 BW Pro BES, indien dat in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, het kind voorts doen opnemen in een inrichting of elders dan een inrichting voor de duur van ten hoogste één jaar.
3.4.
Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de belangen en de ontwikkeling van [de minderjarige] zodanig worden bedreigd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft behoefte aan hulpverlening, wat zij zelf ook erkent. Zo is er sprake van schoolverzuim in de vorm van spijbelgedrag, hoewel [de minderjarige] zelf aangeeft inmiddels minder uren te werken om zich beter op haar school te kunnen focussen. Daarnaast ontbreekt het [de minderjarige] aan de nodige opvoedkundige sturing. De moeder is ten einde raad en niet langer in staat de vereiste hulp, ondersteuning en begrenzing te bieden. Tot slot geeft [de minderjarige] aan behoefte te hebben aan begeleiding bij het aangaan van contacten met leeftijdsgenoten.
Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen tot de datum waarop [de minderjarige] de meerderjarige leeftijd bereikt, te weten tot [datum] 2027.
3.5.
Met betrekking tot de uithuisplaatsing overweegt het gerecht als volgt. [de minderjarige] staat op dit moment ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft feitelijk bij haar meerderjarige vriend. De Voogdijraad voert aan dat deze situatie onwenselijk is, omdat er sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie en een scheve gezagsverhouding. De Voogdijraad wenst dat [de minderjarige] in de laatste maanden van haar minderjarigheid zich ook als minderjarige kan ontwikkelen. De Voogdijraad heeft ook te kennen geven op grond van ethische en morele overwegingen niet achter een verblijf van een minderjarige bij een meerderjarige man te kunnen staan. Hoewel de Voogdijraad niet vreest dat de vriend de hulpverleners zal tegenwerken, bestaat wel de zorg dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten indien ze daar blijft wonen.
Het gerecht is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden. Het onder dwang plaatsen van [de minderjarige] bij Begeleid Wonen Bonaire voor de resterende duur van hoogstens acht maanden – waarna zij immers meerderjarig is en haar verblijfplaats zelfstandig mag bepalen – acht het gerecht onwenselijk en niet in het belang van [de minderjarige]. Anders dan de Voogdijraad, verwacht het gerecht niet dat [de minderjarige] zich tegen de hulpverlening zal verzetten. Ze heeft immers zelf uitdrukkelijk aangeven juist graag hulp te willen ontvangen om het contact met haar familieleden te herstellen. De omstandigheid dat de Voogdijraad de relatie tussen [de minderjarige] en haar vriend afkeurt, rechtvaardigt – hoewel begrijpelijk – een zo ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing niet. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
spreekt de ondertoezichtstelling uit van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], tot [datum] 2027;
4.2.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [de minderjarige];
4.3.
wijst af het anders of meer verzochte;
4.4.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 4.1 en 4.2;
4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.