ECLI:NL:OGEABES:2026:91

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BON202600130
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BW BESArt. 3:300 lid 1 BW BESArt. 3:301 BW BESArt. 555 e.v. Rv BESArt. 557 jo. 444 lid 2 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop erfpachtperceel na echtscheiding en verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Partijen zijn ex-echtgenoten van wie de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden en moet worden verdeeld. De vrouw vordert machtiging om het erfpachtperceel met woning en appartementen te verkopen, omdat de man onvoldoende meewerkt aan het verkoopproces.

De man heeft niet voldaan aan de financieringsvoorwaarde om het erfpachtperceel toe te bedelen te krijgen, waardoor de vrouw gerechtigd is het perceel te verkopen. De makelaar heeft de verkoopopdracht teruggegeven vanwege gebrek aan medewerking van de man.

Het Gerecht oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en dat gewichtige redenen bestaan om haar te machtigen het erfpachtperceel te gelde te maken. De man wordt veroordeeld tot medewerking, waaronder het plaatsen van een 'te koop' bord en het afgeven van sleutels van de appartementen. Tevens moet hij de woning verlaten bij levering aan een koper.

De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ex-echtgenote wordt gemachtigd het erfpachtperceel te verkopen en de ex-echtgenoot wordt veroordeeld tot medewerking en het verlaten van de woning bij levering.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600130
datum beslissing: 10 april 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonend in Nederland,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. A.F. van Toll,
tegen
[gedaagde],
wonend op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E. Frins.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 18 maart 2026;
  • het e-mailbericht van 2 april 2026 met een aanvullende productie van [eiser];
  • het e-mailbericht van 7 april 2026 met producties van [gedaagde];
  • het e-mailbericht van 8 april 2026 met twee aanvullende producties van [gedaagde].
1.2.
Op 7 april 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] verzocht om de mondelinge behandeling tot een later moment uit te stellen. Dat verzoek is afgewezen. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. [eiser] is digitaal via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Van Toll. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Frins die ook via een videoverbinding aanwezig was. De spreekaantekeningen die mr. Frins heeft voorgelezen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3.
Aan het begin van de mondelinge behandeling verklaarde mr. Van Toll dat zij de twee aanvullende producties van 8 april 2026 van [gedaagde] niet ontvangen heeft. Het Gerecht heeft de twee producties aan mr. Van Toll overhandigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van Toll de producties bekeken en op de producties gereageerd. Tegen het in het geding brengen van de producties heeft mr. Van Toll geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van het geschil

2.1.
Partijen zijn ex-echtgenoten van elkaar en hun ontbonden huwelijksgemeenschap moet worden verdeeld. [eiser] verwijt [gedaagde] onvoldoende mee te werken aan het verkoopproces van een erfpachtperceel met de daarop gebouwde woning en twee appartementen. [eiser] vordert – kortgezegd – om haar te machtigen het erfpachtperceel met de woning en appartementen te verkopen, [gedaagde] te veroordelen om aanwijzingen van de makelaar op te volgen en [gedaagde] te veroordelen de woning bij de eigendomsoverdracht te verlaten. De vorderingen worden grotendeels toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2015 in Bergen op Zoom in gemeenschap van goederen getrouwd. Op [echtscheidingsdatum] 2024 is met een beschikking van dit Gerecht de echtscheiding uitgesproken (hierna: de echtscheidingsbeschikking). [1] In de echtscheidingsbeschikking is bovendien beslist dat partijen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand met elkaar over moeten gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
3.2.
De echtscheidingsbeschikking is op 17 juni 2024 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort een recht van erfpacht tot 16 september 2040 op een perceel grond gelegen te Belnem op Bonaire, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding], groot 900 m² (hierna: het erfpachtperceel). Op het erfpachtperceel staat de voormalig echtelijke woning (hierna: de woning) en twee appartementen (hierna: de appartementen). Op dit moment woont [gedaagde] in de woning en zijn de appartementen aan derden verhuurd.
3.4.
Op 23 december 2024 heeft dit Gerecht vonnis gewezen in een kort gedingprocedure die was aangespannen door [eiser] tegen [gedaagde]. [2] In dat vonnis is beslist dat, vooruitlopend op de verdelingsprocedure van de huwelijksgoederengemeenschap, [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het erfpachtperceel toebedeeld te krijgen voor een bedrag van USD 575.000 onder de voorwaarde dat hij uiterlijk op 1 februari 2025 aan [eiser] een onvoorwaardelijke toezegging van de bank kan overleggen dat hem financiering voor een bedrag van USD 405.000 zal worden verleend. Voorts heeft het Gerecht beslist dat, als [gedaagde] niet kan voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarde, [eiser] aan makelaar Sunbelt Realty opdracht kan geven voor het verkopen van het erfpachtperceel voor ten minste USD 575.000.
3.5. [
gedaagde] heeft niet uiterlijk op 1 februari 2025 een onvoorwaardelijke toezegging van een bank aan [eiser] overgelegd dat hem een financiering van USD 405.000 zal worden verleend.
3.6.
Op 4/5 juli 2025 is [eiser] met de twee minderjarige kinderen van partijen naar Nederland gereisd. Op 25 juli 2025 heeft het Gerecht op verzoek van ZJCN bepaald dat de minderjarige kinderen uit huis worden geplaatst op een beschermde locatie in Nederland. [3] Sindsdien verblijft [eiser] met de minderjarige kinderen in Nederland.
3.7.
Uit overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat [eiser] medio 2025 het verkoopproces van het erfpachtperceel in gang heeft gezet en daarvoor Sunbelt Realty heeft ingeschakeld. Op 21 november 2025 stuurt een medewerker van Sunbelt Realty een e-mailbericht aan [eiser]. In het e-mailbericht staat dat Sunbelt Realty de verkoopopdracht teruggeeft. Volgens Sunbelt Realty is de huidige situatie niet werkzaam om te komen tot een mogelijke verkoop, omdat het voor haar klanten frustrerend is om vrijwel niet de mogelijkheid te hebben om de woning en appartementen te kunnen bezichtigen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.8.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. De bodemprocedure in dit geschil is reeds aanhangig en staat op de rol van 22 april 2026 voor antwoord aan de zijde van [gedaagde]. Deze kortgedingprocedure loopt op die bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding moet inschatten of de bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Tegen deze achtergrond moet het Gerecht eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
3.9. [
gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [eiser] wil graag in Nederland een koopwoning kopen om met de kinderen in te gaan wonen. In Nederland is sprake van een krappe markt voor huurwoningen en daarom is een koopwoning volgens [eiser] een duurzame oplossing. [eiser] stelt dat zij in Nederland geen financiering kan krijgen voor een koopwoning zo lang zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldlening die rust op het erfpachtperceel. Zij wordt pas gevrijwaard van die aansprakelijkheid op het moment dat het erfpachtperceel in eigendom aan een koper is overgedragen. De bodemzaak staat weliswaar op de rol van 22 april 2026 voor antwoord aan de zijde van [gedaagde], maar het ligt niet in de lijn der verwachting dat het (eind)vonnis in die zaak binnen enkele maanden na vandaag uitgesproken zal zijn. Bovendien zal het daarna op te starten verkoopproces van het erfpachtperceel naar verwachting enkele maanden in beslag nemen totdat het daadwerkelijk aan een potentiële koper geleverd wordt. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiser] daarom een spoedeisend belang om vooruitlopend op een beslissing in de bodemprocedure het verkoopproces van het erfpachtperceel spoedig op te starten. Haar vorderingen zullen hierna inhoudelijk beoordeeld worden.
[eiser] zal worden gemachtigd om het erfpachtperceel te gelde te maken
3.10. [
eiser] vordert dat zij wordt gemachtigd om het erfpachtperceel te gelde te maken waarbij Sunbelt Realty de verkoopprijs bindend vaststelt. Aan haar vordering legt zij – kortgezegd – ten grondslag dat [gedaagde] het verkoopproces heeft tegengewerkt en dat Sunbelt Realty de verkoopopdracht daarom heeft teruggegeven. Volgens [eiser] is het vorderen van medewerking van [gedaagde] vanwege die tegenwerking een heilloze weg en moet zij daarom gemachtigd worden om het erfpachtperceel zelf te gelde te maken.
3.11.
Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro BES kan de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek machtigen tot het te gelde maken van dat goed ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. De op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro BES door de rechter verleende machtiging maakt de deelgenoot bevoegd tot het verrichten van handelingen, waartoe zij anders uitsluitend samen met de deelgenoten bevoegd is. Door de verleende machtiging wordt de deelgenoot, [eiser], zelfstandig bevoegd jegens derden. Het door de rechter afgeven van de in artikel 3:174 lid 1 BW Pro bedoelde machtiging is een discretionaire bevoegdheid. Om van die bevoegdheid gebruik te kunnen maken, dient sprake te zijn van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen.
3.12.
Het Gerecht stelt voorop dat in het vonnis in kort geding van 23 december 2024 is beslist dat, vooruitlopend op de verdelingsprocedure van de huwelijksgoederengemeenschap, [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het erfpachtperceel toebedeeld te krijgen onder de voorwaarde dat hij uiterlijk op 1 februari 2025 een onvoorwaardelijke toezegging van een bank kan overleggen dat hem de daarvoor benodigde financiering van USD 405.000 zal worden verleend. Voorts is beslist dat, als [gedaagde] niet aan die voorwaarde voldoet, [eiser] opdracht aan makelaar Sunbelt Realty mag geven voor de verkoop van het erfpachtperceel.
3.13.
Het is niet in geschil dat [gedaagde] niet aan die voorwaarde voor toebedeling van het erfpachtperceel heeft voldaan. Dat betekent dat [eiser] opdracht mocht geven aan de makelaar om het verkoopproces in gang te zetten, zoals zij heeft gedaan. Die situatie geldt nog steeds. Het staat [gedaagde] vrij om tijdens het verkoopproces een bod uit te brengen op het erfpachtperceel, maar van een exclusief recht van [gedaagde] om het erfpachtperceel toebedeeld te krijgen is in deze situatie geen sprake (meer). Omdat [gedaagde] geen exclusief recht heeft om het erfpachtperceel toebedeeld te krijgen, wordt hij niet gevolgd in zijn stelling dat hem een langere tijd gegund zou moeten worden om de financiering voor de overname daarvan rond te krijgen.
3.14.
Hoewel [eiser] het verkoopproces van het erfpachtperceel in gang heeft gezet, is het niet tot een verkoop daarvan gekomen. Sunbelt Realty heeft zich genoodzaakt gezien haar werkzaamheden te staken.
3.15.
Naar het oordeel van het Gerecht is het voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan [eiser] het erfpachtperceel te gelde zal mogen maken. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij de woning heeft gebouwd met de intentie dat de minderjarige kinderen van partijen de woning over enkele jaren zouden kunnen overnemen. [gedaagde] zegt dat hij dat aan de kinderen heeft beloofd en er alles aan zal doen om die belofte in te lossen. Hoewel het Gerecht voor die wens op zichzelf begrip kan opbrengen, leidt het daaruit af dat [gedaagde] niet bereid is vrijwillig mee te werken aan het verkoopproces waarbij de reële mogelijkheid bestaat dat het erfpachtperceel aan een derde zal worden verkocht. Daar komt bij dat Sunbelt Realty in een e-mailbericht van 16 februari 2026 schrijft dat het onmogelijk is om de woning te verkopen zo lang [gedaagde] niet meewerkt aan het plannen van bezichtigingen of het tekenen van een
“DROB brief”.In een e-mailbericht van 5 maart 2026 schrijft Sunbelt Realty dat zij de woning weer te koop kan aanbieden als door het Gerecht aan de medewerking van [gedaagde] een dwangsom verbonden zal worden. Dat bevestigt dat geen sprake is geweest van voldoende vrijwillige medewerking van [gedaagde] aan het verkoopproces.
3.16.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [eiser] om haar te machtigen het erfpachtperceel te gelde te maken in beginsel toewijsbaar is. Een belangenafweging zou tot een andere uitkomst kunnen leiden. De vraag die daarbij voorligt, is of de belangen van [gedaagde] tegen het te gelde maken van het erfpachtperceel door [eiser] dermate zwaarwegend zijn dat zij aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staat. Naar het oordeel van het Gerecht is dat niet het geval. Het valt te begrijpen dat [gedaagde] zich gelet op de woningmarkt op Bonaire zorgen maakt of hij andere woonruimte kan vinden. Maar die zorgen gelden net zo goed voor [eiser] op de woningmarkt in Nederland. [gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat [eiser] daar zelf voor gekozen heeft door naar Nederland te vertrekken. Uit de beschikking van 25 juli 2025 in de echtscheidingsprocedure, waarin de minderjarige kinderen uit huis zijn geplaatst op een geheime locatie in Nederland, volgt dat de conflictueuze verhouding tussen partijen de aanleiding is geweest voor het vertrek van [eiser] met de minderjarige kinderen naar Nederland. Dit maakt niet dat aan haar belang nu minder gewicht moet worden toegekend. De belangen van [gedaagde] wegen verder niet zo zwaar dat moet worden afgeweken van het wettelijk uitgangspunt dat [eiser] niet in een onverdeelde gemeenschap hoeft te blijven.
3.17.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiser] om haar een machtiging te verlenen om het erfpachtperceel te gelde te maken worden toegewezen.
3.18. [
eiser] heeft verder gevorderd dat Sunbelt Realty de verkoopprijs van het erfpachtperceel bindend zal vaststellen. Het Gerecht begrijpt dat [eiser] met de verkoopprijs de prijs bedoelt waarvoor het erfpachtperceel te koop zal worden aangeboden aan potentiële kopers (ook wel ‘de vraagprijs’ genoemd). [gedaagde] heeft niet betwist dat Sunbelt Realty over voldoende expertise beschikt om een reële vraagprijs vast te stellen. De vordering van [eiser] om Sunbelt Realty bindend de vraagprijs te laten vaststellen zal daarom eveneens worden toegewezen.
Dit vonnis zal in de plaats treden van een aantal rechtshandelingen van [gedaagde]
3.19.
Omdat voldoende aannemelijk is geworden dat de wil van [gedaagde] tot medewerking aan het verkoopproces van het erfpachtperceel ontbreekt, zal de vordering van [eiser] dat dit vonnis in de plaats treedt van een aantal rechtshandelingen van [gedaagde] worden toegewezen. [4]
3.20.
Dit vonnis zal, als gevorderd, in de plaats treden van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van [gedaagde] benodigd voor de verkoopopdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst en het passeren van de akte van levering.
3.21. [
eiser] heeft bovendien gevorderd dat het Gerecht bepaalt dat dit vonnis en
“de aldus opgemaakte akte”in de daartoe bestemde openbare registers kan worden ingeschreven. Die vordering is niet toewijsbaar. In artikel 3:301 BW Pro BES staan de voorwaarden waaronder deze uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers. Een bepaling daartoe van het Gerecht is niet vereist. Daarom heeft [eiser] geen belang bij deze vordering.
[gedaagde] zal worden veroordeeld mee te werken aan het verkoopproces
3.22. [
eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om mee te werken aan alle aanwijzingen van de makelaar tijdens het verkoopproces. Die vordering is te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen de woning in toonbare staat te brengen en houden volgens de aanwijzingen van de makelaar.
3.23. [
gedaagde] zal wel worden veroordeeld om op aangeven van de makelaar een ‘te koop’ bord in de tuin te plaatsen. Bovendien zal [gedaagde] worden veroordeeld om sleutels van de twee appartementen op het erfpachtperceel aan de makelaar af te geven ten behoeve van bezichtigingen van potentiële kopers zonder de aanwezigheid van [gedaagde]. [gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de makelaar de sleutels bij de huurders van de appartementen op moet vragen. Als verhuurder van de appartementen en mede-eigenaar van het erfpachtperceel ligt het op de weg van [gedaagde] om de sleutels van de appartementen aan de makelaar te verstrekken. Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de echtelijke woning op het erfpachtperceel geen slot heeft. [gedaagde] zal daarom niet veroordeeld worden tot afgifte van de sleutels van de woning.
3.24.
Aan de veroordeling tot afgifte van sleutels ten behoeve van bezichtigingen in afwezigheid van [gedaagde] zal de voorwaarde worden verbonden dat de makelaar uiterlijk 72 uur voor de geplande bezichtiging [gedaagde] daarvan op de hoogte stelt.
3.25.
Aan de veroordeling om een ‘te koop’ bord in de tuin te plaatsen en het afgeven van de sleutels van de appartementen aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen in afwezigheid van [gedaagde] zal, als gevorderd, een dwangsom worden verbonden. De dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals onder de beslissing staat vermeld.
[gedaagde] moet de woning verlaten op het moment dat de woning wordt geleverd
3.26. [
eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te verlaten op het moment dat het erfpachtperceel aan een koper geleverd wordt. Die vordering wordt toegewezen. Als [gedaagde] de woning niet verlaten heeft op het moment dat het erfpachtperceel aan een derde koper geleverd wordt, zal [eiser] zo nodig de hulp van de deurwaarder of de sterke arm van politie en justitie in kunnen roepen. Omdat [eiser] al mogelijkheden heeft om af te dwingen dat [gedaagde] de woning verlaat op het moment dat het erfpachtperceel aan een derde koper geleverd wordt, is het niet nodig om daarnaast een dwangsom aan die veroordeling te verbinden.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.27.
Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.28.
De beslissingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een beslissing in kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Bovendien heeft [gedaagde] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring geen verweer gevoerd. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als een partij in hoger beroep gaat tegen dit vonnis. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot de rechter in hoger beroep een andere beslissing heeft genomen.

4.De beslissing

Het Gerecht:
4.1.
machtigt [eiser] om op grond van artikel 3:174 lid 1 BW Pro BES het recht van erfpacht tot 16 september 2040 op een perceel grond gelegen te Belnem op Bonaire, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding], groot 900 m² te gelde te maken, waarbij Sunbelt Realty de vraagprijs bindend zal vaststellen;
4.2.
bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW Pro BES in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van [gedaagde] benodigd voor de verkoopopdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst en het passeren van de akte van levering van het erfpachtperceel;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om op aanwijzen van de makelaar een ‘te koop’ bord in de tuin van de woning te plaatsen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om sleutels van de op het erfpachtperceel aanwezige appartementen aan de makelaar af te geven ten behoeve van bezichtigingen door potentiële kopers in afwezigheid van [gedaagde], onder de voorwaarde dat [gedaagde] door de makelaar uiterlijk 72 uur voor de geplande bezichtiging daarvan op de hoogte is gesteld;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van USD 2.500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de uitgesproken veroordeling onder rechtsoverweging 4.3 en 4.4 voldoet tot een maximum van USD 50.000 is bereikt;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] om de woning te hebben verlaten op het moment dat de leveringsakte van het erfpachtperceel bij de notaris wordt verleden;
4.7.
verstaat dat, indien [gedaagde] niet aan de veroordeling onder rechtsoverweging 4.6. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv BES) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo Pro. 444 lid 2 Rv BES;
4.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De beschikking is bekend onder registratienummer BON202300578.
2.Het vonnis is bekend onder registratienummer BON202400561.
3.De beschikking is bekend onder registratienummers BON202400115 en BON202400116.
4.Als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW Pro BES.