ECLI:NL:OGEABES:2026:89

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
BON202600168
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 226 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bouwstop en ordemaatregel in kort geding over woningbouw nabij hoogwaterlijn op Bonaire

Partijen zijn buren op Bonaire; [verweerster] bouwt een woning en zwembad op haar perceel nabij de hoogwaterlijn. [Verzoekers] vordert in kort geding een bouwstop en afbraak van bouwwerken die binnen de toegestane afstand zijn gebouwd, stellende dat de bouw in strijd is met de leveringsakte.

Het verzoek om een ordemaatregel voor de duur van het kort geding om de bouw te staken wordt afgewezen. Het Gerecht oordeelt dat de bouw aan de buitenzijde vrijwel voltooid is en onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekers] een gerechtvaardigd belang heeft bij het staken van de resterende binnenafwerking.

De vrees van [verzoekers] dat zij voor voldongen feiten komt te staan en dat de woning na oplevering verhuurd kan worden, weegt niet zwaar genoeg. De procedurele bevoegdheid tot het treffen van een ordemaatregel wordt erkend, maar toepassing ervan is in dit stadium niet gerechtvaardigd.

[Verzoekers] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan [verweerster]. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 april 2026, en het vonnis is op die dag uitgesproken door rechter H.L. Wattel.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een ordemaatregel om bouwactiviteiten te staken wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk belang.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600168
datum beslissing: 2 april 2026
Beslissing in het verzoek om een ordemaatregel in de zaak van:

1.[verzoeker 1],

2.
[verzoeker 2],
beide wonend in België,
verzoekers,
hierna te noemen: [verzoekers],
gemachtigde: mr. T.J. Leijsen,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerster],
gevestigd in Brugge (België),
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster],
gemachtigde: mr. S.L. Navia.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 1 april 2026 op de griffie van dit Gerecht ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. [verzoekers] is verschenen, bijgestaan door mr. Leijsen. [verweerster] is vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en zij is bijgestaan door mr. Navia. Bovendien was aan de zijde van [verweerster] de heer [projectleider van de in aanbouw zijnde woning van [verweerster] aanwezig (projectleider van de in aanbouw zijnde woning van [verweerster]). De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Op het perceel van [verweerster] wordt een woning en een zwembad gebouwd. Volgens [verzoekers] wordt gebouwd op een plek waar dat niet is toegestaan. [verzoekers] heeft een kort gedingprocedure aangespannen waarin zij onder meer een bouwstop en een bevel tot afbraak vordert. In deze procedure vordert [verzoekers] dat voor de duur van de kort gedingprocedure een ordemaatregel wordt getroffen om de bouwactiviteiten te staken. De gevorderde ordemaatregel wordt afgewezen.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1.
Partijen zijn eigenaar van aan elkaar grenzende percelen in de wijk Sabadeco op Bonaire.
3.2. [
verweerster] heeft haar perceel door middel van een leveringsakte van 27 januari 2023 (hierna: de leveringsakte) in eigendom overgedragen gekregen. In de leveringsakte zijn bouwverplichtingen opgenomen. Op het perceel mag geen bouwwerk gebouwd worden binnen twintig meter van de hoogwaterlijn, op een afstand van minimaal twintig meter van de hoogwaterlijn c.q. kliplijn mag een zwembad gebouwd worden en vanaf dertig meter vanaf de hoogwaterlijn c.q. kliplijn mag een woonhuis worden gebouwd.
3.3.
In februari 2025 zijn bouwwerkzaamheden op het perceel van [verweerster] aangevangen. [verzoekers] stelt dat het in april 2025 voor haar zichtbaar werd dat de woning van [verweerster] te dicht bij de zee werd gebouwd. Bovendien werd het eind oktober 2025 duidelijk dat een eerste verdieping op het woonhuis van [verweerster] werd gebouwd, waar [verweerster] eerder had toegezegd daarvan af te zien, aldus [verzoekers]
3.4.
Op 3 februari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoekers] een brief gestuurd aan [verweerster]. In die brief werd [verweerster] gesommeerd om het bouwwerk binnen twee maanden in overeenstemming met de bepalingen uit de leveringsakte te brengen. Bovendien werd [verweerster] gesommeerd om alle bouwwerkzaamheden te staken voor zover er werd gebouwd in afwijking van de bepalingen uit de leveringsakte.
3.5.
De gemachtigde van [verweerster] heeft op 26 februari 2026 op de brief van 3 februari 2026 gereageerd. In die brief betwist [verweerster] dat er in afwijking van de bepalingen uit de leveringsakte gebouwd wordt.
3.6.
De bouwactiviteiten zijn niet door [verweerster] gestaakt.
3.7.
Op 24 maart 2026 is [verzoekers] een kort gedingprocedure gestart tegen [verweerster] (hierna: het kort geding) [1] . In het kort geding vordert [verzoekers] – kortgezegd – om [verweerster] een bouwstop op te leggen voor zover de bouwactiviteiten betrekking hebben op het woonhuis binnen 30 meter vanaf de hoogwaterlijn althans kliplijn en op het zwembad binnen 20 meter vanaf de hoogwaterlijn althans kliplijn. Bovendien vordert [verzoekers] een bevel tot afbraak van de bouwwerken die binnen de hiervoor genoemde afstanden zijn gebouwd. De mondelinge behandeling in het kort geding staat gepland op 11 mei 2026.
Het verzoek van [verzoekers] om een ordemaatregel te treffen
3.8. [
verzoekers] verzoekt het Gerecht om voor de duur van het kort geding een ordemaatregel te treffen. [verzoekers] vraagt het Gerecht – kort gezegd – om [verweerster] te bevelen een bouwstop op te leggen voor zover de bouwwerkzaamheden betrekking hebben op het woonhuis binnen 30 meter vanaf de hoogwaterlijn/kliplijn en op het zwembad binnen 20 meter vanaf de hoogwaterlijn/kliplijn.
3.9. [
verzoekers] legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. Een uitspraak in de kort gedingprocedure kan niet afgewacht worden. Op het moment dat uitspraak wordt gedaan in het kort geding, is de bouw van het zwembad en de woning van [verweerster] al afgerond. Dat maakt de vordering in het kort geding tot het opleggen van een bouwstop illusoir. Bovendien wordt in de rechtspraak streng omgegaan met een vordering tot afbraak van een bouwwerk dat afgerond is. [verzoekers] vreest daarom dat zij voor voldongen feiten komt te staan en dat zij het risico loopt dat haar vordering tot afbraak om die reden afgewezen zal worden. Tot slot kan de woning na het afronden van de werkzaamheden in gebruik worden genomen en eventueel worden verhuurd aan huurders. Met huurders in de woning die mogelijk recht hebben op huurbescherming wordt haar vordering tot afbraak ook bemoeilijkt.
Het Gerecht is bevoegd om voor de duur van een kort gedingprocedure een ordemaatregel te nemen
3.10.
Op grond van artikel 226 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering BES kan de rechter in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening is vereist een beslissing bij voorraad geven. Mede gelet op het flexibele karakter van een kort gedingprocedure is het Gerecht van oordeel dat zij bevoegd is om een ordemaatregel voor de duur van het kort geding te geven. Die bevoegdheid van het Gerecht is overigens door [verweerster] niet betwist. Daarom zal de vordering van [verweerster] hierna inhoudelijk beoordeeld worden.
Het verzoek om een ordemaatregel te nemen voor de duur van het kort geding wordt afgewezen
3.11.
In deze zaak moet het Gerecht beoordelen of de gevorderde ordemaatregel voldoende samenhang vertoont met de vordering in de kort gedingprocedure, [verzoekers] een gerechtvaardigd belang heeft bij de ordemaatregel en of de uitkomst van de reeds aanhangige kort gedingprocedure niet afgewacht kan worden.
3.12.
Het is tussen partijen niet in geschil dat de bouw van de buitenzijde van de woning en het zwembad zo goed als afgerond is. Het dak van de woning is met bitumen dicht gelegd. Over het bitumen moeten nog houten dakspanen gelegd worden. Bij het zwembad moet alleen de zwembadpomp nog worden geïnstalleerd. Aan de binnenzijde van de woning moet nog wat meer gebeuren. Op dit moment worden de muren gepleisterd en geschilderd. Ook moeten zaken als stopcontacten en kranen nog geïnstalleerd worden (de leidingen zijn al aangelegd).
3.13.
Naar het oordeel van het Gerecht is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekers] in het stadium waarin de bouw zich op dit moment bevindt een gerechtvaardigd belang heeft bij de gevorderde ordemaatregel voor de duur van het reeds aanhangige kort geding. De buitenzijde van de woning en het zwembad zijn zo goed als af. Onvoldoende is gebleken wat het belang van [verzoekers] is bij het staken van verdere bouwactiviteiten, zoals het pleisteren of schilderen van de binnenzijde van de woning en afmaken van het dak, in afwachting van de behandeling van het kort geding waarin het inhoudelijke debat zal worden gevoerd over de wederzijdse standpunten van partijen over de (on)rechtmatigheid van de bouwactiviteiten van [verweerster] en over de belangen die voor partijen op het spel staan.
3.14.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de publiekrechtelijke bestemming van de kavels van partijen
Recreatieis. Namens [verweerster] is verklaard dat de woning alleen als vakantiewoning en voor korte termijn verhuurd zal worden. Voor de vrees van [verzoekers] dat de ingebruikname van de woning een risico vormt voor haar vordering tot afbraak ziet het gerecht daarom onvoldoende grond.
3.15.
Gelet op het voorgaande zal de gevorderde ordemaatregel worden afgewezen.
[verzoekers] moet proceskosten betalen
3.16. [
verzoekers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [verweerster] in verband met de gevraagde ordemaatregel betalen. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op USD 559,00 aan salaris gemachtigde (tarief eenvoudig kort geding) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
wijst de gevraagde ordemaatregel af;
4.2.
veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten aan [verweerster], begroot op USD 699,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [verzoeker 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de uitspraak daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De kort gedingprocedure is bekend onder registratienummer BON202600146.