ECLI:NL:OGEABES:2026:2

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
BON202500622
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en loonvordering in arbeidszaak tussen werknemer en Garnet N.V.

In deze zaak heeft [eiser], een elektricien die sinds 2014 in dienst is bij Garnet N.V., een kort geding aangespannen na een ontslag op staande voet. De werknemer vorderde onder andere dat het gerecht zou verklaren dat het ontslag nietig was en dat hij recht had op zijn loon over november 2025. Garnet N.V. betwistte de bevoegdheid van het gerecht en voerde aan dat het recht van Curaçao van toepassing was. De feiten tonen aan dat de werknemer sinds 2018 in Bonaire werkte, maar dat zijn arbeidsovereenkomst een standplaats in Curaçao had. Het gerecht oordeelde dat het bevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen, omdat de werknemer in Bonaire woonde en werkte. Het gerecht oordeelde dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was, omdat Garnet niet voldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van de werknemer. Het gerecht heeft de vorderingen van de werknemer gedeeltelijk toegewezen, waaronder de betaling van achterstallig loon en de verplichting om de werknemer tot en met februari 2026 toe te laten tot zijn werkzaamheden op Bonaire. Garnet werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500622
datum uitspraak: 9 januari 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
domicilie kiezende te Bonaire,
eiser, hierna
[eiser],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
de naamloze vennootschap
GARNET N.V.,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde, hierna:
Garnet N.V.,
gemachtigde: mr. A.K. Kleinmoedig.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 5 december 2025 met producties
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 december 2025. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Garnet producties 1 t/m 12 en de pleitnota van haar gemachtigde ingediend. Op de zitting zijn verschenen:
  • [eiser] (via videoverbinding), bijgestaan door mr. Van Lieshout;
  • [bestuurder gedaagde], bestuurder van Garnet, vergezeld van mevrouw [naam], bijgestaan door mr. Kleinmoedig (allen via video-verbinding)
Mr. Kleinmoedig heeft mede aan de hand van de pleitnota het woord gevoerd. De producties en pleitnota van Garnet behoren tot de processtukken.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Garnet is een elektrisch installatiebedrijf en houdt zich bezig met de installatie en onderhoud van onder meer beveiligingssystemen, duurzame energie, brandveiligheid en internetsystemen.
2.2. [
eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, is (na een stage) op 14 juli 2014 in dienst getreden van Garnet in de functie van elektricien. [eiser] is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, nadat partijen elkaar opvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd waren aangaan (op 24 september 2014, 2 december 2015 en 29 januari 2016) en [eiser] ook nadien voor Garnet is blijven werken. Het salaris van [eiser] bedraagt thans XCG 2.810, - bruto.
2.3.
Artikel 3.6. van de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 2016 luidt:
De standplaats van de Werknemer is in beginsel Curaçao. De Werknemer verplicht zich desalniettemin zijn werkzaamheden te verrichten op een andere plaats dan waar gewoonlijk de arbeid wordt verricht en/of op een andere tijd dan gewoonlijk, tenzij zulks vanwege bijzondere omstandigheden niet van de Werknemer kan worden gevergd.
2.4.
In artikel 16.2 van de arbeidsovereenkomst staat dat het recht van Curaçao op de arbeidsovereenkomst van toepassing is en dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao bevoegd is om kennis te nemen van geschillen voorvloeiend uit of verband houdend met de arbeidsovereenkomst.
2.5. [
eiser] heeft in dienst van Garnet werkzaamheden verricht in Curaçao tot [eiser] in 2018 door Garnet ter beschikking werd gesteld aan Garnet Bonaire in Bonaire. Garnet en Garnet Bonaire maken deel uit van hetzelfde concern.
2.6.
Vanaf dat moment in 2018 heeft [eiser] onafgebroken, voltijds en onder dagelijkse leiding van de lokale uitvoerder van Garnet Bonaire werkzaamheden op Bonaire verricht.
2.7.
Vanaf maart 2025 heeft [eiser] op Bonaire een affectieve relatie. Tot juni of juli 2025 heeft [eiser] (met anderen) verbleven in een woning die door Garnet ter beschikking was gesteld. Verder is [eiser] ongeveer maandelijks op kosten van Garnet voor een weekend teruggevlogen naar Curaçao.
2.8.
Op enig moment heeft [eiser] zich gewend tot de Afdeling Arbeidszaken van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in Bonaire met de vraag welk arbeidsrecht op zijn situatie van toepassing is. De afdeling Arbeidszaken van SZW heeft op 7 augustus 2025 schriftelijk gerapporteerd dat op basis van de verzamelde informatie geconcludeerd kan worden dat mogelijk sprake is van arbeidsuitbuiting. Verder heeft de afdeling Arbeidszaken van SZW gerapporteerd dat [eiser] niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde bijstand omdat hij niet is ingeschreven op Bonaire. [eiser] is verwezen naar het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn in Curaçao omdat hij toen in Curaçao was ingeschreven.
2.9.
In een e-mail van (dinsdag) 21 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] Garnet aangesproken op voortdurende en ernstige schendingen van haar wettelijke verplichtingen als werkgever. In die brief is Garnet (onder meer) gesommeerd om een arbeidsovereenkomst te verstrekken met Bonaire als standplaats.
2.10.
In reactie daarop heeft (de bestuurder van) Garnet op telefonisch aan [eiser] laten weten dat hij op vrijdag 24 oktober 2025 naar Curaçao moet afreizen om zijn werkzaamheden daar op te pakken.
2.11.
Vervolgens heeft (onder meer) de volgende e-mailcorrespondentie tussen partijen plaatsgevonden:
  • op (woensdag) 22 oktober 2025 laat [eiser] aan Garnet weten dat hij het er niet mee eens is dat hij moet terugkeren naar Curaçao en dat hij zijn werkzaamheden op Bonaire zal blijven uitvoeren
  • op (donderdag) 23 oktober 2025 laat Garnet aan [eiser] weten dat hij gelet op artikel 3.6. van de arbeidsovereenkomst, de gewijzigde omstandigheden, het zwaarwegend bedrijfsbelang van Garnet en zijn verplichting om met redelijke voorstellen van de werkgever in te stemmen, op maandag 27 oktober 2025 zijn werkzaamheden in Curaçao moet hervatten
  • op (vrijdag) 24 oktober 2025 (7:21:41 AM) laat Garnet aan [eiser] weten dat zij constateert dat [eiser] niet bereid is om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten en dat hem geen loon wordt uitbetaald over de tijd dat hij niet bereid is om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten
  • op (vrijdag) 24 oktober 2025 (1:56 uur PM) laat Garnet aan [eiser] weten dat hem de toegang tot het bedrijfsgebouw en andere bedrijfsfaciliteiten wordt ontzegd met de instructie om de bedrijfsauto en gereedschappen die dag in te leveren bij Garnet Bonaire
  • op 31 oktober 2025 laat Garnet aan [eiser] weten dat hij niet in dienst kan treden bij Garnet Bonaire en wordt [eiser] een termijn van één maand gegeven om zich op het hoofdkantoor van Garnet in Curaçao te melden.
2.12. [
eiser] is in oktober en november 2025 in Bonaire blijven werken voor Garnet Bonaire. Garnet heeft [eiser] geen loon over de maand november 2025 betaald.
2.13.
In een e-mail van 9 november 2025 heeft Garnet aan [eiser] te kennen gegeven dat zij overweegt om [eiser] zonder behoud van inkomen te schorsen en heeft zij [eiser] uitgenodigd om daarover in gesprek te gaan. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op 1 december 2025.
2.14.
Op 2 december 2025 heeft Garnet [eiser] op staande voet ontslagen omdat [eiser] de instructie om naar Curaçao terug te keren niet had opgevolgd en hij zonder toestemming in Bonaire is blijven werken voor Garnet Bonaire.

3.Het geschil

3.1. [
eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat het door Garnet op 2 december 2025 gegeven ontslag op staande voet nietig is, althans geen rechtsgevolg heeft;
bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt;
Garnet beveelt [eiser] onmiddellijk toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden op Bonaire;
Garnet veroordeelt tot betaling van het achterstallige loon over de maand november 2025 van XCG 2.810, -, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7A:1614q BW BES (tot maximaal 50%) en de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening;
Garnet veroordeelt tot betaling van de toekomstige loontermijnen zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt’
Garnet veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Garnet concludeert tot onbevoegdheid van dit Gerecht, althans tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Garnet voert onder verwijzing naar artikel 103a leden 1 en 3 Rv BES en artikel 16.2 van de arbeidsovereenkomst aan dat het gerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser].
4.2.
Voor de relatieve bevoegdheid in kort geding is geen aparte regeling in de wet opgenomen. Bevoegd is de rechter ingevolge de gewone regels van relatieve competentie. Bevoegd is ook de rechter ter plaatse waar de voorlopige voorziening moet worden uitgevoerd.
4.3.
Op grond van dat laatste is het gerecht bevoegd om kennis te nemen van de loonvorderingen van [eiser]. Betaling dient immers plaats te vinden aan de woonplaats van de schuldeiser (artikel 6:116 BW BES). Omdat [eiser] schuldeiser is en (werkelijk) woont in Bonaire, is dit gerecht bevoegd om van de loonvorderingen van [eiser] kennis te nemen. Omdat [eiser] zijn werkzaamheden vanaf 2018 uitvoert in Bonaire en [eiser] zijn werkzaamheden wil blijven uitvoeren in Bonaire, is het gerecht ook bevoegd om van de overige vorderingen van [eiser] kennis te nemen.
4.4.
Bovendien legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag een overeenkomst die is gesloten tussen een partij die handelt in de uitoefening van en bedrijf (Garnet) een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ([eiser]) als bedoeld in artikel 97 Rv BES). Het gerecht is op grond van artikel 103a lid 2 Rv BES bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Als het gaat om zo’n overeenkomst, dan bepaalt het tweede lid van artikel 103a Rv namelijk dat het eerste lid geen gevolg heeft (zich hier niet voordoende uitzonderingen daargelaten).
4.5.
Hiermee in lijn is dat dit kort geding een spoedvoorziening in een arbeidsgeschil is waarop de artikelen 429a Rv BES en verder van toepassing zijn. Op grond van artikel 429c lid 7 Rv BES is mede bevoegd de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Niet is in geschil is dat [eiser] zijn arbeid al vanaf 2018 in Bonaire verricht.
Toepasselijk recht
4.6.
Onder verwijzing naar artikel 16.2 van de arbeidsovereenkomst voert Garnet aan dat op het onderhavige geschil het op Curaçao geldende recht van toepassing is.
Gelet op die rechtskeuze zal het gerecht het recht van Curaçao toepassen. Waar hierna wordt verwezen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het Burgerlijk Wetboek (BW) dan is dat Rv en BW zoals die gelden in Curaçao.
Kort geding
4.7.
In een kortgedingprocedure is de rechter bevoegd om een voorlopige maatregel te treffen, als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft (artikel 226 Rv).
Verklaring voor recht
4.8. [
eiser] eist onder 1 een verklaring voor recht. Hoewel [eiser] dat in zijn vordering onder 2 niet met zoveel woorden formuleert, eist hij onder 2 eveneens een verklaring voor recht. Dat is niet mogelijk in een kort geding. Een verklaring voor recht is namelijk geen voorlopige maatregel maar een oordeel met een definitief karakter. De vorderingen onder 1 en 2 worden daarom afgewezen.
Spoedeisend belang
4.9.
Bij zijn vordering om in Bonaire te mogen blijven werken heeft [eiser] een voldoende spoedeisend belang. [eiser] woont en werkt sinds 2018 immers op Bonaire en heeft op Bonaire zijn sociale leven opgebouwd.
4.10.
Bij een loonvordering blijkt de spoedeisendheid uit de aard van de vordering. In de regel is een werknemer afhankelijk van zijn loon om in zijn levensonderhoud te voorzien. Er bestaat geen aanleiding om daarover in deze zaak anders te oordelen.
4.11.
Aan het voor een kort geding vereiste spoedeisend belang is kortom voldaan.
Werken op Bonaire
4.12. [
eiser] heeft in dit kort geding niet aannemelijk weten te maken dat hij er recht op heeft dat Garnet hem (permanent) beschikbaar blijft stellen bij Garnet Bonaire in Bonaire. De omstandigheden dat [eiser] daar vanaf 2018 tewerk is gesteld door Garnet, hij altijd goed heeft gefunctioneerd en in die tijd zijn sociale leven op Bonaire heeft opgebouwd, brengen niet mee, ook niet in samenhang bezien, dat Garnet van [eiser] niet meer mocht verlangen dat hij terug zou keren naar Curaçao. In de arbeidsovereenkomst is (in artikel 3.6) namelijk opgenomen dat de standplaats van [eiser] in beginsel Curaçao is, maar dat hem kan worden verplicht om zijn werkzaamheden elders te verrichten, tenzij dat vanwege bijzondere omstandigheden niet van hem kan worden gevergd. Temeer nu Garnet werd geconfronteerd met het feit dat de constructie van beschikbaarstelling mogelijk juridisch niet langer houdbaar was, mocht zij verlangen dat [eiser] weer op Curaçao zou gaan werken.
4.13. [
eiser] kan niet in kort geding bewerkstelligen dat de overeengekomen standplaats wordt gewijzigd naar Bonaire wordt en evenmin dat hij in dienst komt bij Garnet Bonaire. De vordering van [eiser] onder 3 kan daarom niet zo onbeperkt worden toegewezen als gevorderd.
Het loon van november 2025
4.14.
Omdat deze maand dateert van vóór het ontslag op staande voet was de arbeidsovereenkomst nog van kracht. Dat betekent dat Garnet in beginsel gehouden is het loon van [eiser] te betalen. Garnet beroept zich evenwel op de uitzondering van artikel 7A:1614b BW op grond waarvan geen loon is verschuldigd voor de tijd waarin de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.
4.15.
Dit beroep van Garnet op artikel 7A:1614b BW gaat niet op. Vaststaat dat [eiser] in november 2025 in Bonaire heeft gewerkt zoals hij dat sinds 2018 in dienst van Garnet deed. Hoewel [eiser] dit deed tegen de herhaalde verzoeken van Garnet in om terug te keren naar Curaçao, kon [eiser] dit alleen doen met medewerking van de onderneming uit hetzelfde concern waar Garnet [eiser] sinds 2018 tewerk had gesteld. Dat komt voor rekening en risico van Garnet. Bovendien heeft Garnet ook van de werkzaamheden van [eiser] geprofiteerd.
4.16.
De loonvordering over november 2025 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7A:1614q BW, die zal worden gemaximeerd op 10% en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025.
Het ontslag op staande voet
4.17.
Voor toewijzing van loonvordering onder 5 is bepalend of voldoende aannemelijk is dat het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. Dat is naar het oordeel van het gerecht niet het geval en wordt hierna toegelicht.
4.18.
Een arbeidsovereenkomst kan met onmiddellijke ingang worden beëindigd op grond van een dringende reden (artikel 7A:1615o BW). Die dringende reden moet zo zwaarwegend zijn dat van degene die de arbeidsovereenkomst opzegt (Garnet) redelijkerwijze niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten (artikel 7A:1615p lid 1 BW).
4.19.
Als reden voor het ontslag op staande voet voert Garnet aan dat [eiser] hardnekkig heeft geweigerd te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten die Garnet aan [eiser] heeft verstrekt (artikel 1615p lid 2 aanhef en onder 10 BW). Garnet stelt dat zij ervan uit mocht gaan dat [eiser] zich op 1 december 2025 op het werk in Curaçao zou melden, wat [eiser] niet heeft gedaan.
4.20.
Het niet verschijnen van [eiser] op 1 december 2025 op het werk in Curaçao kan niet als een dringende reden voor een ontslag op staande voet worden aanvaard. Garnet had [eiser] vanaf 2018 in Bonaire te werk gesteld waar [eiser] al die tijd goed heeft gefunctioneerd. [eiser] had op Bonaire inmiddels zijn sociale leven opgebouwd en daar ook een relatie gekregen. De eisen van goed werkgeverschap brengen daarom mee dat Garnet een redelijke termijn van in acht had te nemen toen zij [eiser] opdroeg terug te keren naar het werk in Curaçao. Na een jarenlang verblijf op Bonaire, kon Garnet in redelijkheid niet van [eiser] verlangen dat hij zich binnen enkele dagen (de e-mail van 23 oktober 2025) of een maand (de e-mail van 31 oktober 2025) weer op het werk in Curaçao meldde zoals Garnet van [eiser] verwachtte. [eiser] had de tijd moeten krijgen om ófwel zijn vertrek van Bonaire voor te bereiden ófwel een nieuwe baan op Bonaire te kunnen zoeken. Van een redelijk bevel of opdracht is daarom naar het (voorlopig) oordeel van het gerecht geen sprake.
4.21.
Het handelen van [eiser] is evenmin dermate zwaarwegend dat van Garnet redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten. Garnet heeft daar geen feiten en/of omstandigheden voor aangevoerd.
Werken op Bonaire verder
4.22.
Garnet heeft, zoals hiervoor is overwogen, geen redelijke termijn in acht genomen bij het terugplaatsen van [eiser] naar Curaçao. Eerder is echter ook al overwogen dat zij wel mocht verlangen dat [eiser] naar Curaçao terug zou keren. Het gerecht acht daarvoor, in de omstandigheden van dit geval, een termijn van drie maanden (vanaf 1 december 2025) redelijk. Mocht [eiser] op Bonaire willen blijven wonen en werken, heeft hij dan voldoende tijd om ander werk te vinden. In het kader van dit kort geding is daarom de vordering onder 3 toewijsbaar tot en met februari 2026.
De loonvordering verder
4.23.
Omdat Garnet [eiser] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, heeft [eiser] recht op zijn loon over december 2025. De omstandigheid dat [eiser] in deze maand niet heeft gewerkt (ook niet in Bonaire), als dat al zo is, komt voor rekening van Garnet (artikel 7A:1614d BW). Dat geldt ook voor de maand januari 2026 tot de eerste werkdag na deze uitspraak.
4.24.
Daarna heeft [eiser] over de maanden januari en februari 2026 in beginsel weer recht op zijn loon als hij zich bij Garnet Bonaire meldt en beschikbaar is om te werken. Na februari 2026 heeft [eiser] in beginsel alleen recht op zijn loon als hij zich bij Garnet in Curaçao op het werk meldt en beschikbaar is om te werken.
4.25.
Omdat in dit kort geding onvoldoende duidelijk is wat [eiser] gaat doen, zal het gerecht Garnet (nog) niet veroordelen tot betaling van toekomstig loon. Daarvoor ontbreekt bovendien op dit moment een spoedeisend belang De loonvordering zal daarom in zoverre worden afgewezen.
Proceskosten
4.26.
Garnet zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak vastgesteld op USD 251 aan griffierecht en USD 559, - aan salaris van de gemachtigde.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
beveelt Garnet om [eiser] tot en met februari 2026 toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden op Bonaire;
5.2.
veroordeelt Garnet om aan [eiser] het achterstallige loon te betalen over de maand november 2025 van XCG 2.810, - te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW BES, die zal worden gemaximeerd op 10% en de wettelijke rente ingaande 1 december 2025 tot de dag der algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt Garnet om aan [eiser] het loon te betalen vanaf 1 december 2025 tot 12 januari 2026;
5.4.
veroordeelt Garnet in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op USD 251, - aan griffierecht en USD 559, - aan salaris van de gemachtigde;
5.5.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken op 9 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.