ECLI:NL:OGEABES:2026:152

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BON202500292
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 22 Procesreglement voor civiele zaken in eerste aanleg en in hoger beroep
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst voor aanleg van 44 septic tanks grotendeels toegewezen

In deze civiele procedure tussen [B.V.] en DE WIT GROUP BOUW B.V. (DWG) stond de betaling van 46 gefactureerde septic tanks centraal. Tijdens een gerechtelijke plaatsopneming (descente) is vastgesteld dat 44 van de 46 septic tanks daadwerkelijk zijn aangelegd. Partijen kwamen overeen dat DWG voor deze 44 tanks dient te betalen, waarmee de oorspronkelijke vordering van [B.V.] werd verminderd.

De aanneemsom voor 46 tanks bedroeg USD 108.100 exclusief ABB, wat neerkomt op USD 2.350 per tank. Voor 44 tanks is DWG een bedrag van USD 103.400 exclusief ABB verschuldigd, oftewel USD 111.672 inclusief 8% ABB. DWG had reeds USD 93.600 betaald, waardoor een restant van USD 18.072 inclusief ABB openstaat.

Omdat DWG niet tijdig betaalde, is zij wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van het verzoekschrift. Daarnaast zijn buitengerechtelijke incassokosten van USD 1.047 toegewezen, maar wettelijke rente hierover is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. DWG is veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: DWG is veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag voor 44 septic tanks, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500292
datum beslissing: 24 juni 2026
in de zaak van
[B.V.],
gevestigd op Bonaire,
eisende partij,
hierna: [B.V.],
procederend in de persoon van haar directeur, de heer [directeur B.V.],
tegen
DE WIT GROUP BOUW B.V.,
gevestigd op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: DWG,
gemachtigde: mr. A. Schennink.

1.De procedure

1.1.
Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 3 juni 2026 heeft de in het tussenvonnis bepaalde descente met aansluitend een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verwezen wordt naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [B.V.] een e-mailbericht met bijlage aan het Gerecht gestuurd. Daartegen heeft DWG bezwaar gemaakt. Het e-mailbericht van 3 juni 2026 met bijlage zal bij de beoordeling van deze zaak buiten beschouwing worden gelaten, omdat op dat moment al vonnis is bepaald (zie daarover artikel 22 van Pro het Procesreglement voor civiele zaken in eerste aanleg en in hoger beroep).

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij gelegenheid van de descente is vastgesteld dat [B.V.] 44 septic tanks heeft aangelegd in fase II van het project en dat al deze septic-tanks voor rekening van DWG komen. DWG heeft dit ook niet (langer) betwist. Ook is gebleken dat 2 van de 46 overeengekomen septic tanks nog niet aangelegd zijn.
2.2.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen het er over eens geworden dat DWG voor 44 aangelegde septic tanks dient te betalen. In zoverre moet [B.V.] geacht worden haar vordering – die zag op 46 septic-tanks – te hebben verminderd.
2.3.
Het gerecht overweegt met inachtneming van het voorgaande als volgt. De oorspronkelijke aanneemsom voor 46 septic-tanks bedroeg USD 108.100,= (ex ABB). De prijs per septic-tank bedroeg daarmee USD 2.350,= (ex ABB). Voor de 44 aangelegde septic-tanks was DWG dus een bedrag van USD 103.400,= (ex ABB) verschuldigd; inclusief de ABB van 8% was dit een bedrag van USD 111.672,=. Tussen partijen is niet in geschil dat DWG in totaal een bedrag van USD 93.600,= (incl. ABB) aan [B.V.] heeft betaald. Er resteert daarmee een te betalen bedrag van USD 18.072,= (incl. ABB). Dit bedrag is DWG in hoofdsom aan [B.V.] verschuldigd.
2.4.
Omdat DWG niet tijdig heeft betaald, is zij wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag. [B.V.] heeft niet concreet gesteld wat de ingangsdatum van de door haar gevorderde wettelijke rente zou moeten zijn. De vervaldata van de facturen kan daar niet voor worden aangehouden, omdat nadien door DWG enkele betalingen zijn verricht in het kader van een betalingsregeling. De wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift.
2.5.
In het door [B.V.] in deze procedure gevorderde bedrag is ook een bedrag aan incassokosten, te weten USD 1.047,=, opgenomen (zie productie 7 bij het verzoekschrift). Voldoende gebleken is dat daadwerkelijk incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat dit bedrag toewijsbaar is. Het Gerecht begrijpt dat [B.V.] ook wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vordert. [B.V.] heeft echter niet gesteld op welke datum zij het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten heeft betaald. Daarom wordt de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.6.
DWG zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [B.V.] worden veroordeeld. Deze worden – aan de hand van het toegewezen bedrag – begroot op USD 419,= aan griffierecht, USD 159,= aan betekeningskosten, USD 1.117,= aan salaris gemachtigde en USD 140,= aan nakosten (bij betekening te verhogen met USD 84,=).
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat vermeld.

3.De beslissing

Het Gerecht:
3.1.
veroordeelt DWG om aan [B.V.] te betalen:
- een bedrag van USD 18.072,00 (incl. ABB) in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2025 tot de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van USD 1.047,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
veroordeelt DWG in de kosten van de procedure, aan de zijde van [B.V.] begroot op USD 1.695,00;
3.3.
veroordeelt DWG tot betaling van de nakosten van USD 140,00 verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door DWG uitblijft binnen veertien dagen nadat haar schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen;
3.4.
veroordeelt DWG tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.