ECLI:NL:OGEABES:2026:134

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
400.00104/25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C.B. Hubben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 Wet financiële markten BESArt. 9:1 Wet financiële markten BESArt. 435a Sr BESArt. 435c Sr BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor witwassen bij ondergronds bankieren naar Dominicaanse Republiek

Op 9 mei 2025 werd verdachte gecontroleerd op de luchthaven Flamingo Airport te Bonaire met bijna 30.000 USD contant geld, dat hij voor verschillende kennissen naar de Dominicaanse Republiek wilde vervoeren. Verdachte trad feitelijk op als ondergronds bankier zonder vergunning, maar dit was niet ten laste gelegd.

Het Gerecht stelde vast dat ondergronds bankieren niet automatisch een vermoeden van witwassen oplevert, omdat het niet uitsluitend gericht is op criminele geldstromen. Voor een veroordeling wegens witwassen is vereist dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf, hetgeen niet kon worden bewezen.

De verdachte gaf een verklaring over de herkomst van het geld die niet werd weersproken door het onderzoek. Er ontbraken aanvullende omstandigheden die een vermoeden van witwassen konden ondersteunen. Daarom sprak het Gerecht verdachte vrij van het ten laste gelegde witwassen.

De in beslag genomen geldbedragen werden gelast terug te geven aan de rechthebbenden. De officier van justitie had een voorwaardelijke gevangenisstraf en verbeurdverklaring gevorderd, maar deze vorderingen werden afgewezen.

De uitspraak benadrukt het onderscheid tussen illegaal ondergronds bankieren en witwassen en stelt strenge eisen aan het bewijs van criminele herkomst van geld bij witwasvervolgingen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van witwassen wegens onvoldoende bewijs van criminele herkomst van het vervoerde geld.

Uitspraak

Parketnummer: 400.00104/25

Uitspraak: 28 mei 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteland],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren. Verder heeft hij als bijzondere voorwaarde gevorderd dat de verdachte gedurende 50 (vijftig) uren dienstverlening in de vorm van onbetaalde arbeid verricht, dat de in beslag genomen geldbedragen, te weten de USD 10.000,- en USD 15.000,- worden verbeurdverklaard en dat de overige in beslag genomen geldbedragen worden teruggegeven aan de (niet nader genoemde) rechthebbenden.
De raadsman heeft bepleit de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2025, op het eiland Bonaire, een voorwerp, te
weten (een) geldbedrag(en) van $ 10.000,- en/of $ 15.000,-heeft verworven
en/ of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of begreep, althans
redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of
middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Het Gerecht acht het ten laste gelegde witwassen niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt hierover als volgt aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 9 mei 2025 voerde de Koninklijke Marechaussee een ondermijningscontrole in samenwerking met de Douane en het Regionale Informatie- en Expertisecentra uit op de luchthaven Flamingo Airport. Deze controle bestond uit het controleren van passagiers die voornemens waren uit te reizen naar de Dominicaanse Republiek.
Omstreeks 09:10 uur werd verdachte gecontroleerd. Tijdens deze controle werd bij verdachte een totaalbedrag van USD 29.645,- aangetroffen, welk bedrag hij op verschillende plaatsen op en aan zijn lichaam trachtte te vervoeren. In zijn onderbroek werd een bedrag van USD 10.000,- aangetroffen. In zijn tas bevonden zich meerdere enveloppen met daarop namen geschreven, met bedragen variërend van USD 40,- tot USD 700,- voor een totaal van USD 1.871,-. Voorts werd in zijn linkerborstzak een bedrag van USD 5.000,- en in zijn portemonnee een bedrag van USD 745,- aangetroffen. Na zijn aanhouding en inverzekeringstelling werd tijdens de insluiting in de JICN nog een bedrag van USD 12.000,- in de onderbroek van verdachte aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat hij de in beslag genomen geldbedragen voor verschillende kennissen wilde vervoeren naar de Dominicaanse Republiek om dit geld, eenmaal daar aangekomen, aan de familie en/of zakenpartners van die kennissen te geven. Verdachte zou in dit verband voor verdachte [medeverdachte 1] USD 10.000,- en voor verdachte [medeverdachte 2] USD 15.000,- vervoeren.
Aan de verdachte is (enkel) ten laste gelegd het opzettelijk dan wel culpoos witwassen van laatstgenoemde bedragen, dus USD 10.000,- en USD 15.000,-.
Ondergronds bankieren
Het Gerecht stelt op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren.
Ondergronds bankieren houdt in dat zonder vergunning financiële transacties worden verricht buiten de gereguleerde financiële instellingen om en is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2:1 eerste Pro lid jo. Artikel 9:1 eerste Pro lid van de Wet financiële markten BES. ‘Ondergronds’ verwijst naar de onttrekking aan het toezicht van de overheid en niet naar de herkomst van het geld waarmee gebankierd wordt. Ondergronds bankieren kan immers plaatsvinden met
legaalen met
illegaalgeld. De bankier ontvangt voor zijn diensten een commissie.
Verdachte heeft van verschillende personen geld aangenomen teneinde dit geld te vervoeren naar de Dominicaanse Republiek en vervolgens af te geven aan derden. Hij kreeg daarvoor een vergoeding van deze personen. Verdachte heeft hierin feitelijk opgetreden als ware hij een bank (een geldtransitiekantoor) zonder de daarvoor noodzakelijke vergunning. Overtreding van de Wet financiële markten BES is echter niet aan verdachte of zijn medeverdachten ten laste gelegd.
Derhalve ziet het Gerecht zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ondergronds bankieren met
illegaalgeld, hetgeen het tenlastegelegde witwassen kan opleveren. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat de voorwerpen, de geldbedragen van USD 15.000,- en USD 10.000,- afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Het enkele feit dat verdachte als ondergronds bankier voornemens was om USD 25.000,- voor de medeverdachten naar de Dominicaanse Republiek te vervoeren, leidt niet automatisch tot de conclusie dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is.
Toetsingskader witwassen
Voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van artikel 435a jo. 435c Sr BES vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit
enigmisdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit kan volgen dat het voorwerp niét uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is.
Wanneer de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Toepassing toetsingskader
Van de door verdachte ontvangen geldbedragen van USD 10.000,- en USD 15.000,- is niet komen vast te staan, dat deze geldbedragen direct uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De door verdachte in het kader van ondergronds bankieren ontvangen geldbedragen en de omstandigheden waaronder deze bedragen zijn aangetroffen voldoen aan de zogenoemde typologieën van witwassen. Verdachte vervoerde immers grote contante geldbedragen welke onder andere in zijn onderbroek werden aangetroffen. Daarbij komt dat het fysiek vervoeren van contante geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld.
Uit het dossier en de bestaande literatuur over ondergronds bankieren valt echter ook op te maken dat deze omstandigheden kunnen worden verklaard vanuit de werkwijze van ondergronds bankieren op zichzelf. Gelet op de specifieke wijze van ondergronds bankieren kan daarom niet reeds uit het zich voordoen van deze (voornoemde) witwastypologieën worden vastgesteld dat sprake is van een vermoeden van transacties met gelden afkomstig uit enig misdrijf. Ondergronds bankieren is als zodanig niet uitsluitend gericht op criminele gelden en transacties via het systeem van ondergronds bankieren leveren op zichzelf dus niet zonder meer witwassen op. Bij ondergronds bankieren zijn dus
aanvullendeomstandigheden vereist die het vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, ondersteunen.
Het Gerecht stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken van dergelijke aanvullende omstandigheden. Een mogelijke criminele herkomst van het geldbedrag komt uit het dossier niet naar voren. Uit het dossier blijkt dat verdachte een blanco strafkaart heeft. Ten aanzien van de twee andere verdachten zijn geen relevante strafrechtelijke antecedenten naar voren gekomen. Daarnaast heeft verdachte niet geweigerd een verklaring af te leggen over de herkomst van het geld, is deze verklaring in lijn met die van de medeverdachten, is er geen sprake geweest van versluierd taalgebruik, en bestonden de in beslag genomen en tenlastegelegde geldbedragen voornamelijk uit coupures van USD 50,- en hoger.
Het Gerecht is concluderend van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden, ook in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende zijn om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat verdachte zich heeft beziggehouden met witwassen. Aan het verlangen van de verdachte dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit kan volgen dat het voorwerp niét uit misdrijf afkomstig is, wordt dus niet toegekomen.
De slotsom is dat het Gerecht niet bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen zullen worden teruggegeven aan de (voor zover mogelijk met name te noemen) rechthebbenden, zoals door de officier van justitie gevorderd.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
gelast de teruggave van de volgende geldbedragen aan de volgende rechthebbenden:
- USD 10.000,- aan [medeverdachte 1];
- USD 15.000,- aan [medeverdachte 2];
- USD 2.000,- aan [rechthebbende];
- USD 2.645,- aan de overige rechthebbenden.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben, bijgestaan door mr. J.J. Scholte ter Horst, zittingsgriffier, en op 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.