ECLI:NL:OGEABES:2026:130

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BON202600095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BW BESArt. 1:258 BW BESArt. 263 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ondertoezichtstelling en afwijzing uithuisplaatsing minderjarige

De Voogdijraad Caribisch Nederland verzocht om een definitieve ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011, vanwege ernstige zorgen over haar lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkeling. De voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waren reeds toegewezen op 5 maart 2026.

Tijdens de mondelinge behandeling op 27 mei 2026 was de moeder aanwezig met haar gemachtigde, en vertegenwoordigers van de Voogdijraad en Zorg en Jeugd Caribisch Nederland. De moeder was tegen het verzoek en stelde dat hulpverlening vrijwillig kon plaatsvinden, maar de Voogdijraad vond dit onvoldoende vanwege de moeilijk stuurbare houding van de moeder en de kwetsbare situatie van de minderjarige.

Het gerecht oordeelde dat de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling waren vervuld, mede gezien de aanstaande verhuizing en de noodzaak van continuïteit in hulpverlening. Daarom werd de ondertoezichtstelling voor zes maanden toegewezen met een aanhouding voor de resterende termijn. De uithuisplaatsing werd echter afgewezen omdat de minderjarige sinds december 2025 vrijwillig bij Stichting Project verbleef en er onzekerheid bestond over de voortzetting daarvan. Het gerecht achtte het mogelijk dat de minderjarige terugkeert naar de moeder in haar nieuwe woning, en vond een gedwongen voortzetting van de uithuisplaatsing niet opportuun.

Uitkomst: Ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt voor zes maanden toegewezen, uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600095
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND
gevestigd te Bonaire,
hierna: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [geboorteland], hierna: [minderjarige].
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

1.Het procesverloop

1.1.
Bij beschikking van 5 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en is zij uit huis geplaatst bij Stichting Project op Bonaire voor de duur van deze voorlopige ondertoezichtstelling.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad, strekkende tot de definitieve ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige].
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij is de moeder met haar gemachtigde aanwezig geweest. Namens de Voogdijraad is de heer [medewerker voogdijraad] aanwezig geweest en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] aanwezig geweest.
1.4.
Op 9 maart 2026 heeft de rechter, buiten aanwezigheid van anderen, gesproken met [minderjarige].
1.5.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.

2.Het verzoek en de beoordeling

2.1.
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [minderjarige]. Op 5 maart 2026 is een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij Stichting Project toegewezen voor de duur van drie maanden in verband met de ernstige zorgen betreffende de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige].
2.2.
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een (definitieve) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] is. Op 27 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.
2.3.
De Voogdijraad verzoekt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij Stichting Project van [minderjarige] voor de duur van één jaar met een aanhoudingstermijn van zes maanden. De Voogdijraad stelt dat er ernstige zorgen zijn met betrekking tot de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige] en dat een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van [broer van minderjarige].
2.4.
Op grond van artikel 1:254 juncto Pro 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
2.5.
De rechter kan op grond van artikel 263 BW Pro BES, indien dat in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, het kind voorts doen opnemen in een inrichting of elders dan een inrichting voor de duur van ten hoogste één jaar.
2.6.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling overweegt het gerecht als volgt. Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de belangen en ontwikkeling van [minderjarige] ernstig worden bedreigd. Gezien de incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden is het van belang dat er wordt ingezet op de zorgen rondom haar seksuele ontwikkeling, schoolverzuim en middelengebruik. Het is ook belangrijk om plannen te maken voor de situatie wanneer de vader van het (half) broertje en (half) zusje van [minderjarige] uit detentie komt.
2.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard het niet eens te zijn met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij stelt zich op het standpunt dat de benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader kan worden vormgegeven.
2.8.
De Voogdijraad acht de hulpverlening in een vrijwillig kader evenwel ontoereikend, daar de moeder sterke eigen opvattingen heeft over wat in het belang van [minderjarige] is en zij hierin moeilijk stuurbaar is. Sinds de uitspraak van de voorlopige ondertoezichtstelling is er echter wel een begin van samenwerking tot stand gekomen. Tot slot staat er op zeer korte termijn een verhuizing gepland, wat een ingrijpende verandering en onzekerheden over de verdere woonplek zal meebrengen in het leven van [minderjarige].
2.9.
Het gerecht is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De situatie rondom [minderjarige] is nog onmiskenbaar kwetsbaar. Juist met het oog op de aanstaande verhuizing is rust en structuur vereist. Om de continuïteit van de opgestarte hulpverlening bij MHC te waarborgen en te voorkomen dat de opvoedvisie van de moeder de noodzakelijke zorg doorkruist, acht het gerecht de voortzetting van het gedwongen kader noodzakelijk. Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen. Het gerecht begrijpt uit het verzoek dat de Voogdijraad wenst dat over 6 maanden wordt bezien of voortzetting van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling zal daarom voor de duur van 6 maanden worden uitgesproken en voor het overige worden aangehouden.
2.10.
Ten aanzien van de uithuisplaatsing overweegt het gerecht als volgt. [minderjarige] woont sinds december 2025 op vrijwillige basis bij Stichting Project. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder te kennen gegeven dat [minderjarige] mogelijk weer bij haar thuis komt wonen wanneer zij zal zijn verhuisd naar haar nieuwe woonplek. De Voogdijraad heeft ook zelf aangegeven dat er rond de plaatsing van [minderjarige] bij Stichting Project allerlei ontwikkelingen gaande zijn en dat het onzeker is of ze daar zal blijven wonen. Daarom acht het gerecht een voortzetting van de (gedwongen) uithuisplaatsing bij Stichting Project op dit moment niet opportuun meer. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de moeder en [minderjarige] niet zullen meewerken aan wat er in het kader van de ondertoezichtstelling wordt afgesproken over de meest geschikte verblijfplaats van [minderjarige]. Zonodig kan het verblijf bij Stichting Project nog vrijwillig worden voortgezet, maar mogelijk kan [minderjarige] ook terug naar moeder in de nieuwe woning. Het verzoek tot uithuisplaatsing wordt dan ook afgewezen.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
spreekt de ondertoezichtstelling uit van
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [geboorteland], voor de duur van zes maanden, te weten tot 4 december 2026;
3.2.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [minderjarige];
3.3.
houdt iedere verdere beslissing voor de resterende duur van de verzochte ondertoezichtstelling aan;
3.4.
wijst af het anders of meer verzochte;
3.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproeping van partijen, de Voogdijraad en ZJCN voor de voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 december 2026 om 14.00 uur;
3.6.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 3.1 en 3.2;
3.7.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.