ECLI:NL:OGEABES:2026:127

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BON202600207
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:165 lid 1 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot hoofdwoning voor ophalen persoonlijke eigendommen na echtscheiding

Partijen zijn echtgenoten die in scheiding liggen en wonen in afzonderlijke woonruimten op een gezamenlijk perceel. De vrouw vordert voorzieningen voor het beheer van de septic tank en het zwembad, en toegang tot de hoofdwoning om persoonlijke spullen op te halen.

De rechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is bij het beheer van de septic tank, omdat deze recent is geleegd en de man toezegt het beheer op zich te nemen. Ook is onvoldoende aannemelijk dat het zwembad slecht wordt onderhouden, zodat die vordering wordt afgewezen.

De vrouw krijgt wel het recht om binnen een week na verzoek toegang te krijgen tot de hoofdwoning om haar persoonlijke eigendommen op te halen, waarbij de man of een gezamenlijk aan te wijzen derde aanwezig mag zijn. De overige vorderingen, waaronder onbelemmerde toegang zonder aanwezigheid van de man en dwangsommen, worden afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De uitspraak volgt op een kort gedingprocedure en is gebaseerd op de echtscheidingsbeschikking en de feitelijke situatie op het perceel.

Uitkomst: Vrouw krijgt binnen een week toegang tot hoofdwoning om persoonlijke spullen op te halen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600207
datum beslissing: 1 juni 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonend op Bonaire,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[gedaagde],
wonend op Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 20 april 2026 op de griffie van dit Gerecht ingediend. Op 13 mei 2026 heeft [gedaagde] vijf producties in het geding gebracht. [eiser] heeft op 18 mei 2026 één aanvullende productie overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [eiser] is verschenen. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. Mr. Nicolaas was vanwege ziekte niet aanwezig. [eiser] heeft verzocht om de mondelinge behandeling zonder de aanwezigheid van mr. Nicolaas door te laten gaan. Mr. Winkel had daartegen geen bezwaar. [eiser] heeft de door mr. Nicolaas opgestelde spreekaantekeningen voorgelezen. Mr. Winkel heeft ook spreekaantekeningen voorgelezen. De spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van het geschil

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd en de echtscheiding is door dit Gerecht uitgesproken. Zij wonen op dit moment in afzonderlijke zelfstandige woonruimten op het perceel dat hen gezamenlijk toebehoort: [gedaagde] in de hoofdwoning, [eiser] in een appartement. Volgens [eiser] schiet [gedaagde] tekort in het beheren van de septic tank en het onderhouden van het zwembad op het perceel. Ook wil [eiser] toegang tot de hoofdwoning om persoonlijke spullen op te halen. [eiser] vraagt het Gerecht voor het beheer en onderhoud van de gezamenlijke installaties en het ophalen van haar spullen voorzieningen te treffen.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2016 in Almere (Nederland) in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort een woning aan de [adres] (hierna: de woning) op Bonaire.
3.2.
In een beschikking van 10 december 2025 (hierna: de echtscheidingsbeschikking) is door dit Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. [1] In de echtscheidingsbeschikking is het verzoek [2] van [eiser] tot het exclusieve gebruik van de woning afgewezen. Daarbij heeft het Gerecht overwogen dat de woning bestaat uit een hoofdwoning en een aan de hoofdwoning geschakeld appartement met ieder een eigen voordeur. Partijen hebben onderling afgesproken dat [gedaagde] in de hoofdwoning en [eiser] in het appartement zal verblijven.
3.3.
Tegen de echtscheidingsbeschikking is door [eiser] hoger beroep ingesteld.
De vorderingen van [eiser] die betrekking hebben op gezamenlijke installaties in algemene zin
3.4.
In het petitum van het verzoekschrift heeft [eiser] het bij verschillende vorderingen in algemene zin over
“gezamenlijke installaties”. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat het haar concreet om de septic tank en het zwembad gaat. Niet gesteld of gebleken is dat er andere gezamenlijke installaties zijn dan de septic tank en het zwembad waarvoor [eiser] vorderingen in deze procedure instelt. Voor zover de vorderingen van [eiser] betrekking hebben op andere installaties dan de septic tank en het zwembad worden deze vorderingen afgewezen, omdat [eiser] daar onvoldoende voor heeft gesteld.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij al haar vorderingen
3.5.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Deze kortgedingprocedure loopt op die bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding moet inschatten of de bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Tegen deze achtergrond moet het Gerecht eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
3.6.
Het is tussen partijen niet in geschil dat de gezamenlijke septic tank op 10 april 2026 door een externe partij is geleegd. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat het probleem van de septic tank door het legen daarvan opgelost is. [gedaagde] heeft verder toegezegd dat hij het beheer van de septic tank op zich zal nemen, zoals [eiser] heeft gevraagd. Hij zal de pomp van de septic tank aan het eind van de dag inschakelen en toezien op de juiste werking van het systeem. Als [gedaagde] voor een periode uitlandig zal zijn, zal hij de septic tank tijdig laten legen. Daardoor bestaat er tijdens zijn afwezigheid geen risico op het vol raken van de septic tank. Daarmee is aan de wensen van [eiser] voldaan en ontbreekt het spoedeisend belang bij haar vorderingen die betrekking hebben op de septic tank. Die vorderingen worden daarom afgewezen.
3.7.
Ten aanzien van de vorderingen van [eiser] die betrekking hebben op het zwembad en haar spullen in de woning van [gedaagde] is een spoedeisend belang wel aanwezig. Volgens [eiser] wordt het zwembad niet goed door [gedaagde] onderhouden en ontstaat daardoor schade aan het gezamenlijke zwembad. Als sprake is van een risico op schade aan het zwembad door onvoldoende onderhoud, heeft [eiser] er belang bij dat daarvoor spoedig een voorziening getroffen wordt. [eiser] stelt verder dat zij spullen nodig heeft die zich in de hoofdwoning bevinden waarin [gedaagde] woont. Als [eiser] die spullen nodig heeft, heeft zij er belang bij dat zij daarover spoedig de beschikking krijgt.
3.8.
De vorderingen die betrekking hebben op het gezamenlijke zwembad en de toegang tot de hoofdwoning zullen hierna inhoudelijk besproken worden.
Niet gebleken dat een risico bestaat op schade aan het zwembad
3.9. [
eiser] stelt dat [gedaagde] het zwembad niet goed onderhoudt en daardoor een risico bestaat op schade. [gedaagde] heeft dat betwist. Volgens [gedaagde] heeft hij het zwembad altijd onderhouden en zal hij dat blijven doen. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] een e-mailbericht van 20 april 2026 van BSC Pool Care in het geding gebracht waarin staat dat het zwembad helder en goed onderhouden is. In het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat het zwembad niet goed onderhouden wordt. Dat blijkt nergens uit. Omdat onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] het zwembad niet goed onderhoudt en daardoor een risico bestaat op schade, zullen de vorderingen van [eiser] die betrekking hebben op het beheer en onderhoud van het gezamenlijke zwembad worden afgewezen.
Toegang tot de hoofdwoning
3.10. [
eiser] stelt dat er spullen van haar in de hoofdwoning liggen en dat zij die spullen nodig heeft. Op de mondelinge behandeling heeft zij gezegd dat het gaat om een paspoort, kleding en documenten voor het doen van belastingaangifte.
3.11.
Op de mondelinge behandeling is de mogelijkheid onderzocht of partijen een moment kunnen afspreken dat [eiser] al haar spullen uit de hoofdwoning zal halen. Daarmee wordt voorkomen dat zij in de toekomst toegang nodig heeft tot de hoofdwoning. [eiser] heeft gezegd dat zij die mogelijkheid eerst met haar gemachtigde wil bespreken. Ook is de mogelijkheid onderzocht of partijen een derde kunnen aanwijzen die zij allebei vertrouwen en die aanwezig zal zijn als [eiser] spullen uit de hoofdwoning komt ophalen. Partijen voelen daar wel voor, maar zij zijn het (nog) niet eens geworden over de persoon die als zodanig kan optreden.
3.12.
De primaire vorderingen van [eiser] ten aanzien van de toegang tot de hoofdwoning komen er in de kern op neer dat zij per direct ongehinderde toegang tot de hoofdwoning zal verkrijgen, zonder dat zij met [gedaagde] zal worden geconfronteerd. Die vorderingen worden afgewezen. In de echtscheidingsbeschikking is de vordering van [eiser] tot het exclusieve gebruik van de woning afgewezen, omdat partijen blijkens de overgelegde correspondentie hadden afgesproken dat [gedaagde] in de hoofdwoning en [eiser] in het appartement zal verblijven. Een vordering om per direct ongehinderde toegang te krijgen tot de hoofdwoning is daarmee niet te verenigen.
3.13.
Subsidiair vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om haar toegang te verschaffen tot de hoofdwoning en dat zij zonder de fysieke aanwezigheid van [gedaagde] haar persoonlijke spullen kan ophalen. Ook deze vordering is niet verenigbaar met de beslissingen in de echtscheidingsbeschikking, omdat [gedaagde] rechtmatig in de hoofdwoning woont. De subsidiaire vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.
3.14.
Het Gerecht begrijpt dat [eiser] meer subsidiair vordert dat haar toegang zal worden verschaft tot de hoofdwoning om haar persoonlijke spullen op te halen. Die vordering wordt toegewezen. [gedaagde] heeft niet betwist dat zich in de hoofdwoning nog persoonlijke spullen van [eiser] bevinden. [eiser] heeft recht op die spullen. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld om [eiser] toe te laten tot de hoofdwoning om haar persoonlijke spullen op te halen. Daarbij zal [gedaagde] zelf of een door partijen gezamenlijk aan te wijzen derde aanwezig mogen zijn. [eiser] heeft nog gevorderd dat de toegang tot de hoofdwoning op eerste verzoek en onverwijld moet worden verschaft. Een dergelijke termijn zal tot executieproblemen leiden en wordt daarom afgewezen. Binnen één week na een daartoe door [eiser] aan [gedaagde] gedaan verzoek zal [gedaagde] de toegang tot de hoofdwoning aan [eiser] moeten verschaffen om haar spullen die zich in de hoofdwoning bevinden op te halen.
3.15. [
eiser] heeft gevorderd om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Omdat [eiser] in hoger beroep is gegaan tegen de echtscheidingsbeschikking, hebben partijen de echtscheidingsbeschikking nog niet kunnen inschrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen is daarom nog niet ontbonden. [eiser] heeft daarom geen belang bij het opleggen (en incasseren) van een dwangsom, omdat een verbeurde dwangsom uit de huwelijksgoederengemeenschap betaald zal moeten worden. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt daarom afgewezen.
Het gebruik van het gezamenlijke terrein
3.16. [
eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zich te onthouden van iedere belemmering van [eiser] in het gebruik van het gezamenlijke terrein en de daarop aanwezige voorzieningen. [eiser] heeft niet gesteld dát en hoe zij belemmerd wordt in het gebruik van het gezamenlijke terrein. Het is daarom niet gebleken dat [eiser] een belang heeft bij deze vordering. Daarom wordt de vordering afgewezen.
Beheer van de gezamenlijke installaties door een derde
3.17. [
eiser] vordert dat als [gedaagde] niet in staat is het beheer van de gezamenlijke installaties uit te voeren, hij daarvoor een derde in moet schakelen. Die vordering is niet toewijsbaar. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij het beheer van de gezamenlijke installaties uitvoert en uit zal blijven voeren. Als hij voor een periode uitlandig zal zijn, zal hij een externe partij inschakelen om de septic tank te legen. Zoals hiervoor is overwogen, is daarmee aan de wens van [eiser] op dat punt voldaan. Van een reden om nog andere voorzieningen te treffen voor beheer door een derde is niet gebleken. Daarom wordt deze vordering afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.18. [
gedaagde] vordert dat [eiser] veroordeeld wordt in de daadwerkelijke proceskosten. Voor het toewijzen van een dergelijke vordering moet sprake zijn van een procesvoering die onrechtmatig of in strijd met de goede procesorde is. Hoewel het probleem van de septic tank voor het aanbrengen van het verzoekschrift al was opgelost, is een andere vordering van [eiser] toegewezen. Van onrechtmatige procesvoering is geen sprake.
3.19.
Omdat partijen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.20.
De beslissing in dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dit eist en [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Een beslissing in kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Dit betekent dat de beslissing in deze uitspraak moet worden gevolgd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat. De beslissing in deze uitspraak geldt in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.

4.De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen één week na een daartoe gedaan verzoek toegang te verschaffen tot de hoofdwoning om haar persoonlijke eigendommen die zich in de hoofdwoning bevinden op te halen;
4.2.
verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Die zaak is bij dit Gerecht bekend onder registratienummer BON202500379.
2.Op grond van artikel 1:165 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek BES.