ECLI:NL:OGEABES:2026:126

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BON202400615
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv BESArt. 37 lid D IVRKJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning advocaat en verlenging uithuisplaatsing minderjarige in Bonaire

Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire behandelde het verzoek van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) tot plaatsing van een minderjarige in een gespecialiseerde jeugdzorgplussetting in Nederland. De minderjarige verzet zich tegen de voorgenomen plaatsing, die een vrijheidsbeneming inhoudt.

De wetgeving in Bonaire voorziet niet in toevoeging van een advocaat aan minderjarigen in dergelijke procedures, wat in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het gerecht besloot daarom een advocaat toe te voegen aan de minderjarige en een forfaitaire vergoeding toe te kennen.

De uithuisplaatsing van de minderjarige bij haar vader wordt verlengd tot de beslissing op het verzoek tot plaatsing in Nederland. De behandeling van dit verzoek wordt aangehouden tot een zitting op 5 juni 2026. De minderjarige verblijft voorlopig bij haar vader, ondanks diens bezwaar, vanwege het ontbreken van een alternatieve woonplek.

Uitkomst: Advocaat toegevoegd aan minderjarige en uithuisplaatsing bij vader verlengd tot beslissing over plaatsing in Nederland.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202400615
datum beslissing: 1 juni 2026
Op het verzoek van
ZORG EN JEUGD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna: ZJCN,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
en
[de vader],
wonende te Bonaire,
hierna: de vader.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad)

1.Het procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop tot 1 april 2026 verwijst het gerecht naar de beschikking van die datum. Daarna zijn nog binnengekomen:
- een e-mail van ZJCN, op 15 april 2026,
- een aanvullend verzoek van ZJCN, op 19 mei 2026,
- een e-mail van de Voogdijraad, ingekomen op 20 mei 2026,
- een e-mail van de Voogdijraad, ingekomen op 27 mei 2026, met daarbij een instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper;
- een schrijven van de moeder, ingekomen op 27 mei 2026.
1.2.
De (voortgezette) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Namens ZJCN zijn verschenen: mevrouw [medewerker ZJCN 1], mevrouw [medewerker ZJCN 2]. De moeder is verschenen. Ook [persoonlijk begeleider van minderjarige], de persoonlijk begeleider van [minderjarige] was aanwezig. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de Voogdraad was mevrouw [medewerker voogdraad] aanwezig.
1.3.
De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, te weten op 26 mei 2026, opnieuw met [minderjarige] gesproken.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 maart 2027 en is haar uithuisplaatsing bij vader verlengd tot 5 april 2026. Bij beschikking van 1 april 2026 is de uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd en is [minderjarige] vanaf 5 april 2026 bij Stichting Project geplaatst (waar gewerkt zal worden aan de noodzakelijke voorwaarden voor een doorstroom naar Begeleid Wonen Bonaire) voor de duur van twee maanden, tot 5 juni 2026.
Het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing is voor wat betreft de resterende duur aangehouden tot de zitting van 27 mei 2026 in afwachting van uitkomsten van een onderzoek naar de concrete mogelijkheden van plaatsing in Europees Nederland en het verloop van de plaatsing bij Stichting Project.
2.2.
ZJCN heeft nader onderzoek gedaan en verzoekt thans – kort gezegd – om een uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen de gespecialiseerde jeugdzorgplussetting [jeugdzorgplussetting] in Nederland en daarbij Jeugdbescherming West in Den Haag (Nederland) te belasten met de tijdelijke voogdij over [minderjarige].
2.3.
Het gerecht stelt vast dat het verzoek (mede) is gebaseerd op de “Samenwerkingsafspraken t.b.v. plaatsing jongeren uit Caribisch Nederland in de Jeugdzorg in Europees Nederland (vastgesteld 1 november 2020, aangepast per 20 oktober 2022)”, hierna te noemen ‘de Samenwerkingsafpraken’. Ten aanzien van een verzoek tot plaatsing in de JeugdzorgPlus – zoals in casu – is daarbij in een voetnoot vermeld:
In Europees Nederland is de toevoeging van een advocaat aan de minderjarige geregeld in de Jeugdwet. Die wet is niet van toepassing in CN, maar mogelijk dat in CN een beroep kan worden gedaan op artikel 37, lid D, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) waarin staat vermeld dat ieder kind dat van zijn vrijheid wordt beroofd, het recht heeft onverwijld te beschikken over juridische en andere bijstand.
Het gerecht stelt vast dat [minderjarige] niet wordt bijgestaan door een advocaat. Dit terwijl juist zij zich verzet tegen de voorgenomen plaatsing en nu een dergelijke plaatsing – ook al in Bonaire – een vrijheidsbeneming met zich mee zal brengen; het impliceert immers een gedwongen (en zeer ingrijpende) overbrenging naar Nederland. De wetgeving in Bonaire biedt geen grondslag voor verlening van rechtsbijstand aan [minderjarige] door een van overheidswege toegevoegde advocaat. Dit staat op gespannen voet met het IVRK en leidt tot de onaanvaardbare situatie dat [minderjarige] niet over een advocaat zou beschikken terwijl een minderjarige in Europees Nederland in eenzelfde geval daar wel recht op zou hebben. Het gerecht zal daarom aan [minderjarige] een advocaat toevoegen en bepalen dat aan de advocaat een forfaitaire vergoeding voor de geleverde rechtsbijstand zal worden toegekend, waarbij wordt aangesloten bij de vergoeding voor rechtsbijstand die een advocaat krijgt in geval van vrijheidsbeneming (piket + voorlopige hechtenis) in een strafzaak, te weten een bedrag van USD 482,00.
2.4.
Het gerecht zal de advocaat het dossier doen toekomen en zal de zaak vervolgens opnieuw behandelen ter zitting van vrijdag 5 juni 2026 om 14:00 uur. [minderjarige] kan daar – in overleg met haar advocaat – bij aanwezig zijn.
2.5.
De machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] loopt nog tot 5 juni a.s. Die machtiging gold voor een plaatsing bij de Stichting Project. Gebleken is dat die plaatsing niet is doorgegaan en dat [minderjarige], na een kort verblijf bij haar moeder, nu weer bij haar vader verblijft. Terugkeer bij haar moeder is, zo is er zitting gebleken, op dit moment geen optie. Vader heeft weliswaar laten weten dat hij [minderjarige] niet langer in huis wil, maar bij gebrek aan een andere woonplek zal het gerecht bepalen dat [minderjarige] in ieder geval in afwachting van een beslissing op het huidige verzoekschrift bij vader zal moeten verblijven.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
bepaalt dat als advocaat van [minderjarige] wordt toegevoegd mr. M.M.A. van Lieshout;
3.2.
bepaalt dat aan de advocaat een vergoeding toekomt van USD 482,00;
3.3.
verlengt de uithuisplaatsing van
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], en plaatst [minderjarige] vanaf heden bij vader totdat op het onderhavige verzoek tot uithuisplaatsing in Europees Nederland zal zijn beslist;
3.4.
houdt de behandeling van laatstgenoemd verzoek aan tot de zitting van vrijdag 5 juni 2026 om 14.00 uur;
3.4.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.