ECLI:NL:OGEABES:2026:10

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
EUX 2025-00008
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering leverancier wegens niet-betwiste facturen afgewezen bewijs van betaling door derde

In deze zaak vordert de leverancier betaling van een bedrag van ruim 15.000 USD van gedaagde voor geleverde materialen. Gedaagde stelde dat er een driepartijenovereenkomst bestond waarbij een derde partij, OLE, de laatste facturen zou voldoen.

Het gerecht stelde in een tussenvonnis dat gedaagde dit moest bewijzen. Gedaagde bracht stukken in en liet twee getuigen horen. Uit het bewijs bleek dat er wel een overeenkomst was over meerwerk en een afgesproken budget, maar dat de facturen boven dit budget niet door OLE waren goedgekeurd. De getuigen konden geen aanvullende afspraken bevestigen dat OLE de resterende facturen zou betalen.

Het gerecht oordeelde dat gedaagde niet in het bewijs was geslaagd en veroordeelde hem tot betaling van het openstaande bedrag, inclusief wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van USD 15.112,26 met rente en kosten wegens niet-betwiste facturen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA,

zittingsplaats Sint Eustatius
Zaaknummer: EUX 2025-00008
Vonnisdatum: 13 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
[leverancier],
gevestigd te Sint Eustatius,
eiseres,
hierna te noemen: [leverancier],
gemachtigde: K. Houtman,
tegen
[GEDAAGDE],
wonend te Sint Eustatius,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna “[leverancier]” en “[gedaagde]” worden genoemd.
De zaak in het kort
In een eerder tussenvonnis [1] is beslist dat [gedaagde] zijn stelling moest bewijzen dat de drie partijen zijn overeengekomen dat OLE ook de laatste facturen aan [leverancier] zou voldoen. [gedaagde] heeft stukken in het geding gebracht en twee getuigen doen horen. Het Gerecht oordeelt dat hij niet in het bewijs is geslaagd.
The case in brief
In an earlier interim judgment 1, it was decided that [gedaagde] had to prove his assertion that the three parties had agreed that OLE would also pay the final invoices to [leverancier]. [gedaagde] submitted documents and called two witnesses. The Court ruled that he had failed to provide sufficient evidence.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 9 september 2025
  • de akte van [gedaagde] van 4 november 2025, met de daarbij behorende stukken;
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 december 2025.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1. [
[gedaagde] heeft in eerdere instantie aangevoerd dat er tussen [leverancier], OLE en zichzelf een afspraak was dat [leverancier] [gedaagde] zou factureren voor geleverde materialen en dat [gedaagde] de facturen aan OLE zou doorspelen, waarna OLE rechtstreeks aan [leverancier] zou betalen. Het Gerecht heeft vastgesteld dat [gedaagde] de materialen heeft gekocht bij [leverancier]. Hij is daarom in beginsel aansprakelijk voor betaling ervan.
2.2.
In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] voldoende had onderbouwd dat er een driepartijen overeenkomst was, zoals hij stelde. OLE heeft het Gerecht echter geïnformeerd dat het met [gedaagde] afgesproken budget voor die overeenkomst was uitgeput en dat de rest van de aangeschafte materialen voor zijn eigen rekening zou komen.
2.3. [
[gedaagde] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat OLE ook het laatste totaalbedrag van USD 15.112,26 aan [leverancier] zou betalen.
2.4.
Uit de overgelegde stukken en de gehouden getuigenverhoren is gebleken dat er in juni 2019 overleg is geweest over meerwerk. Dat overleg vond plaats tussen [gedaagde], OLE-projectleider [X] (inmiddels overleden) en [Y]. [gedaagde] heeft zijn meerwerk gespecificeerd en op 10 juli 2019 ondertekenden voornoemde drie personen een overeenkomst. Het meerwerk werd vastgesteld op USD 69.000,-, waardoor het totaal tot de oplevering in rekening te brengen bedrag nog USD 124.000,- zou mogen bedragen.
OLE heeft de facturen van juli tot en met augustus 2019 akkoord bevonden en voor [gedaagde] betaald aan [leverancier]. De overige facturen voor ruim USD 15.000,- zijn niet voor akkoord getekend, omdat die boven het afgesproken bedrag van USD 124.000,- kwamen.
2.5.
De gehoorde getuigen [Y] en [Z] konden niets verklaren over een aanvullende afspraak dat deze USD 15.000,- ook nog door OLE zou worden betaald.
2.6.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] niet in het bewijs is geslaagd en dat de vordering van [leverancier] daarom toewijsbaar is.
2.7. [
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van [leverancier] betalen. Het Gerecht begroot deze kosten tot heden op USD 419,- aan griffierecht en USD 139,39 aan kosten oproepingsexploot, in totaal USD 558,39.
De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen volgens het Procesreglement 2023.

3.De beslissing

Het Gerecht:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [leverancier] van een bedrag van USD 15.112,26, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 oktober 2022;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [leverancier] van een bedrag van USD 1047,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [leverancier] van een bedrag van
USD 558,39 aan proceskosten;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af wat meer is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.