ECLI:NL:OGEABES:2025:5

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 januari 2025
Publicatiedatum
24 maart 2025
Zaaknummer
BON202500009
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:34 BW BESArt. 3:35 BW BESArt. 611a lid 3 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming huurovereenkomst bedrijfsruimte en herstel huurgenot door verhuurder

Op 10 december 2024 sloten huurder en verhuurder een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte aan een adres te Bonaire met een looptijd van vijf jaar, ingaande 1 januari 2025. De huurder oefent sinds 1 september 2024 zijn bedrijf uit in deze ruimte, die hij eerst van de vorige huurder huurde.

De verhuurder verzocht de huurder de ruimte op 31 december 2024 te verlaten wegens vermeende onrechtmatige onderverhuur, wat de huurder betwistte. De verhuurder schakelde vervolgens de elektriciteit af, waardoor de huurder zijn bedrijf niet kon voortzetten en geen toegang had tot de meterkast.

De verhuurder stelde dat zij de huurovereenkomst onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis had gesloten en dat de overeenkomst vernietigbaar zou zijn. Dit verweer kon in het kort geding niet worden bewezen. Het gerecht oordeelde dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is en veroordeelde de verhuurder om de elektriciteit te herstellen en de huurder volledige toegang te verschaffen, met een dwangsom van maximaal USD 25.000 bij niet-naleving.

Uitkomst: De verhuurder is veroordeeld om de elektriciteit te herstellen en de huurder volledige toegang te verschaffen met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Registratienummer : BON202500009
Proces-verbaal van mondeling vonnis in kort geding van 8 januari 2025 in de zaak van:
[eiser],
wonende te Bonaire,
eiser,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
Direct na het sluiten van de mondelinge behandeling van de zaak op 8 januari 2025 heeft de rechter mr. J.R. Veerman in een voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de griffier en ten overstaan van de partijen het volgende, in dit proces-verbaal nader uitgewerkte, mondelinge vonnis in kort geding gewezen.

1.Het verzoek en de beoordeling

[eiser] als huurder en [gedaagde] als verhuurder hebben op 10 december 2024 een huurovereenkomst met betrekking tot een bedrijfsruimte aan de [adres] te Bonaire ondertekend. De ingangsdatum van die huurovereenkomst is 1 januari 2025 en de duur is vijf jaar. [eiser] huurde die bedrijfsruimte vanaf 1 september 2024 onder van de vorige huurder van de bedrijfsruimte en oefent daar sindsdien zijn bedrijf uit. Bij brief van 28 december 2024 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om de bedrijfsruimte op 31 december 2024 te verlaten, omdat er sprake zou zijn geweest van onrechtmatige onderverhuur. Daar is [eiser] het niet mee eens en bovendien verliest [gedaagde] daarmee uit het oog dat partijen op 10 december 2024 een huurovereenkomst hebben getekend, aldus [eiser]. [eiser] heeft de bedrijfsruimte niet verlaten. De elektra van het gehuurde is echter inmiddels afgesloten, zodat [eiser] zijn bedrijf niet kan uitoefenen in het gehuurde. [eiser] heeft geen toegang tot de ruimte waar de meterkast van het gehuurde zich bevindt. [eiser] wil dat [gedaagde] de huurovereenkomst nakomt door hem het volledige huurgenot te verschaffen en vordert, zoals tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht, daarop gebaseerde maatregelen in kort geding. Het verweer van [gedaagde] is als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat zij spijt heeft van het verhuren van de bedrijfsruimte aan [eiser] voor de duur van vijf jaar, althans dat zij helemaal geen huurovereenkomst voor vijf jaar met hem wilde sluiten. De vorige huurder van de bedrijfsruimte had slechts een huurovereenkomst voor de duur van één jaar en voor de nieuwe huurovereenkomst met [eiser] wil zij hetzelfde. [gedaagde] voelde zich niet zo goed toen zij de huurovereenkomst tekende. Zij had last van een evenwichtsstoornis. Het weerwoord van [eiser] daarop is dat [gedaagde] precies wist waarvoor zij tekende. [eiser] had de overeenkomst zelf opgesteld en daarin zelf een huurtermijn van vijf jaar voorgesteld. Daarna heeft [gedaagde] hem gevraagd een aantal aanpassingen in de overeenkomst door te voeren omdat zij zich daartoe zelf niet meer in staat achtte als gevolg van haar gezondheidssituatie, aan welk verzoek hij heeft voldaan. Die wijzigingen betroffen echter niet de huurtermijn.
Het gerecht overweegt als volgt. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering blijkt uit de aard daarvan. Het verweer van [gedaagde] dat zij in deze kwestie heeft gehandeld onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis en, zo begrijpt het gerecht, de huurovereenkomst daardoor op grond van artikel 3:34 lid 1 BW Pro BES vernietigbaar zou zijn, is in het kader van dit kort geding, waarin gelet op de spoedeisendheid daarvan in beginsel geen plaats is voor een bewijslevering, niet komen vast te staan. Het in hetzelfde artikel genoemde bewijsvermoeden ten behoeve van een partij die zich op een vernietiging van een voor hem nadelige transactie beroept, kan [gedaagde] ook niet helpen nu een huurtermijn van vijf jaar in zijn algemeenheid niet nadelig voor een verhuurder hoeft te zijn, nu immers ook de huurder aan diezelfde termijn is gebonden en verhuurder daarbij een belang kan hebben. Bovendien is gesteld noch gebleken dat, als het handelen van [gedaagde] onder een tijdelijke geestelijk stoornis wel zou zijn komen vast te staan, [eiser] daarvan wist of had moeten weten en daardoor niet zou worden beschermd door het daarop gerichte artikel 3:35 BW Pro BES. Het gerecht gaat in dit kort geding dan ook uit van een rechtsgeldige huurovereenkomst die moet worden nagekomen. De conclusie is dat het gerecht de door [eiser] verzochte maatregelen in kort geding zal toewijzen voor zover en op de wijze zoals hierna te bepalen. De dwangsom zal worden gemaximeerd. [gedaagde] zal in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op USD 559,00.

2.De beslissing

Het Gerecht, recht doende in kort geding:
2.1.
veroordeelt [gedaagde] om al hetgeen te doen wat nodig is, waaronder het toegang verschaffen aan [eiser] tot de meterkast, om de elektriciteit van het gehuurde weer aan te sluiten en aangesloten te houden en verbiedt [gedaagde] [eiser] de toegang tot het gehuurde op enige wijze te belemmeren,
2.2.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van USD 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder 2.1. bepaalde voldoet, met een maximum van USD 25.000,00, onder de voorwaarde van een betekening als bedoeld in artikel 611a lid 3 Rv BES,
2.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op USD 559,00,
2.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus mondeling uitgesproken in het bijzijn van de griffier ter openbare terechtzitting van 8 januari 2025, en vastgelegd in dit op 9 januari 2025 opgemaakte en ondertekende proces-verbaal.