Uitspraak
BESCHIKKING (artikelen 1:252 en 1:377a BW BES)
in de zaak van
[verzoeker],
[verweerster],
De procedure
De vaststaande feiten
- partijen hebben gedurende drie jaar een affectieve relatie met elkaar gehad;
- uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] het thans nog minderjarige
- de vader heeft [minderjarig kind] erkend;
- de moeder is belast met het gezag over [minderjarig kind];
- [minderjarig kind] verblijft bij de moeder;
- op 25 oktober 2016 heeft de Voogdijraad en verzoek ingediend om de omgangsregeling tussen
Het verzoek van de vader
Het verweer van de moeder
De beoordeling
Eerste maand:[minderjarig kind] verblijft in de even weken op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot het begin van de avond, en in het weekend een volle dag, inclusief avondeten en (eventuele) middagslaap bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.
Vanaf de derde maand:In de even weken verblijft [minderjarig kind] op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur in de middag vanuit de crèche tot begin van de avond en van vrijdagmiddag (vanuit de crèche) tot zondagavond (na het avondeten) bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.
Beslissing
[de vader], gezamenlijk met de moeder,
[de moeder], met het gezag over
[minderjarig kind], geboren op [geboortedatum] en wonend te [woonplaats].
[de vader], en
[minderjarig kind]als volgt:
[de vader], met ingang van 1 juli 2017 een bedrag van $ 200,- per maand aan de moeder zal betalen als bijdrage in de kosten voor de verzorging en opvoeding van
[minderjarig kind], telkens per vooruitbetaling te voldoen tot aan de dag dat [minderjarig kind] haar meerderjarigheid bereikt.